ECLI:NL:CRVB:2010:BN0710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- T. Hoogenboom
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen en nabestaandenuitkering na geschil over verzekerde perioden
Appellant, geboren in 1941 en genaturaliseerd in 1972, had een AOW-pensioen aangevraagd met een korting vanwege niet-verzekerde perioden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde dat appellant niet verzekerd was over meerdere perioden, waaronder een korte periode in 1978. Appellant maakte bezwaar tegen de korting en de terugvordering van een ten onrechte doorbetaalde nabestaandenuitkering.
De Raad oordeelde dat appellant tijdens de korte periode van 5 augustus tot 26 september 1978 wel degelijk verzekerd was omdat hij toen slechts tijdelijk uit Nederland vertrok en het centrum van zijn maatschappelijk leven in Nederland bleef. Hierdoor werd de korting op het AOW-pensioen aangepast naar 26%, wat neerkomt op 74% van het volledige pensioen.
Ten aanzien van de nabestaandenuitkering stelde de Raad vast dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij na zijn 65e geen recht meer had op deze uitkering. De Svb had de herziening van de uitkering beperkt tot terugwerkende kracht vanaf september 2006, wat de Raad als passend en in lijn met het beleid beschouwde. De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De periode van 5 augustus tot 26 september 1978 wordt als verzekerd erkend, resulterend in een AOW-korting van 26%, en de beperkte terugwerkende kracht van de herziening van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.