ECLI:NL:CRVB:2010:BN1381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken verzekeringsplicht als werknemer
Appellant werkte sinds 1990 als shovelmachinist en sloot in 2001 een overeenkomst waarbij hij een shovel inclusief machinist leverde aan een werkgever. Na beëindiging van deze overeenkomst vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat appellant niet als werknemer werd beschouwd. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellant als zelfstandige werkte en ondernemersrisico droeg.
In hoger beroep voerde appellant aan dat niet de overeenkomst, maar de feitelijke arbeidsomstandigheden bepalend zijn voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Hij stelde dat er sprake was van loon en gezagsverhouding, onderbouwd met werkoverleggen en aanwijzingen van de werkgever. De Raad volgde dit niet en stelde vast dat partijen geen intentie hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten, appellant niet als werknemer was aangemeld en geen loonheffing werd ingehouden.
Verder werd benadrukt dat appellant een grote investering deed in de shovel, zelf risico droeg voor onderhoud en reparaties, en zelf verzekeringen en pensioen regelde. Ook bepaalde appellant zelf zijn uurtarief, wat door de werkgever werd geaccepteerd. Gezien deze omstandigheden was het terecht dat het UWV geen verzekeringsplicht aannam en de WW-uitkering weigerde. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen werknemer is en daarom geen WW-uitkering ontvangt.