ECLI:NL:CRVB:2010:BN1413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Herziening salarisinschaling en vaststelling dagloon per 23 januari 2006
Appellante was van 2002 tot 2003 werkzaam als lerares bij een onderwijsstichting en werd in 2004 arbeidsongeschikt. Het UWV kende haar in 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een dagloon gebaseerd op haar feitelijke verdiensten in de referteperiode 2003. Na een verzoek tot aanpassing van het dagloon vanwege een herziening van de salarisinschaling door haar werkgever, verhoogde het UWV het dagloon in oktober 2006. Een later verzoek tot verdere aanpassing werd geweigerd omdat de herziening van de salarisinschaling pas na de referteperiode bekend werd en het toepasselijke besluit geen ruimte bood om dit mee te nemen.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond verklaard, maar had daarbij een te indringende toets toegepast. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en stelt dat het UWV in redelijkheid kon besluiten niet terug te komen op het in rechte onaantastbare besluit van oktober 2006. De Raad oordeelt dat de herziening van de salarisinschaling een nieuw gebleken feit is, maar dat het bestuursorgaan niet verplicht is dit mee te nemen bij de dagloonvaststelling.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de zaak wordt niet terugverwezen naar de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het UWV hoeft het dagloon niet verder aan te passen.