AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering vreemdeling zonder verblijfsvergunning
Verzoeker, een meerderjarige vreemdeling van Chinese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking dat hij buiten zijn schuld niet kan vertrekken. Tevens vroeg hij een bijstandsuitkering aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), welke door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage werd afgewezen omdat hij niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander.
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing ongegrond. Verzoeker stelde dat hij in een noodsituatie verkeerde en dat er buiten het wettelijke kader toch een voorziening mogelijk was. Hij voerde aan dat hij niet wil blijven en alles heeft gedaan om terug te keren, en dat discriminatie naar nationaliteit onaanvaardbaar is.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat verzoeker geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11 vanPro de WWB en dat artikel 16, tweede lid, van de WWB toepassing vindt, waardoor zelfs bij dringende redenen geen uitkering kan worden toegekend. Er was geen reden om anders te oordelen, mede omdat de verblijfsvergunning nog niet was toegekend en het bevoegde bestuursorgaan nog niet had beoordeeld of verzoeker aan de voorwaarden voldeed.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zou blijven. De voorzieningenrechter deed uitspraak zonder zitting en veroordeelde verzoeker niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker geen recht heeft op bijstand volgens de WWB.
Uitspraak
10/2216 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 vanPro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2010, 10/590 en 10/593 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoeker is tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Verzoeker is een meerderjarige vreemdeling van gestelde Chinese nationaliteit. Hij is niet eerder in Nederland toegelaten en heeft op 28 mei 2009 een verzoek ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Verzoeker stelt in verband met het ontbreken van identiteitsbewijzen en/of reisdocumenten vooralsnog niet naar China terug te kunnen keren, omdat hij daar zonder geldige reispapieren niet wordt toegelaten.
1.2. Verzoeker heeft op 1 september 2009 een aanvraag ingediend om toekenning van een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.3. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het College deze aanvraag afgewezen.
1.4. Bij besluit van 14 december 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat verzoeker niet de Nederlandse nationaliteit heeft en in verband met zijn verblijfsstatus op grond van artikel 11, tweede lid en derde lid, van de WWB niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB is toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB voor hem uitgesloten, zodat het College geen individuele afweging van dringende redenen mag maken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voor zover van belang - het beroep van verzoeker tegen het besluit van 14 december 2009 ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft de juistheid van het in deze uitspraak neergelegde oordeel bestreden. Hij stelt dat hij in een noodsituatie verkeert doordat hij niet kan beschikken over middelen van bestaan en noodgedwongen in Nederland verblijft. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006, LJN AV0197, neemt hij het standpunt in dat er ook buiten het wettelijke kader een mogelijkheid is om een voorziening te verstrekken op grond van de WWB. Hij acht het in zijn situatie onaanvaardbaar om te discrimineren naar nationaliteit en/of status. Daartoe voert hij aan dat in zijn geval geen sprake is van strijd met een consistent vreemdelingenbeleid dat onder meer tot doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten, omdat hij niet in Nederland wil blijven en er aantoonbaar alles aan heeft gedaan terug te keren naar zijn eigen land, en dat er geen gevaar is voor schijnlegaliteit omdat hij is toegelaten tot de buiten schuld procedure.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 vanPro de Beroepswet (Bw) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
4.3. Bij de beoordeling of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
4.4. Naar vaste rechtspraak bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de bijstandsaanvraag tot en met de datum van het primaire besluit van het College. Deze periode eindigt ten aanzien van verzoeker op 12 oktober 2009. Dat betekent dat een wijziging in de omstandigheden van verzoeker na die datum bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de afwijzing van zijn bijstandsaanvraag in beginsel buiten beschouwing moet blijven.
4.5. Niet in geschil is dat verzoeker nimmer rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehad krachtens een verblijfsvergunning of andere verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, van de Vw 2000. Naar moet worden aangenomen was verzoeker in de hier ter beoordeling staande periode in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag om toelating, terwijl de indiening van die aanvraag tot gevolg had dat uitzetting achterwege bleef, zodat sprake was van rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000.
4.6. Gelet op 4.5 heeft het College zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, eerste of tweede lid, van de WWB en niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld, zodat hij geen recht heeft op bijstand. Als gevolg hiervan valt hij onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, zodat aan hem zelfs in geval van zeer dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel geen uitkering ingevolge de WWB kan worden toegekend. De voorzieningenrechter verwijst verder naar rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van de Raad van 25 mei 2010 (LJN BM7006) in een aantal gevoegde zaken betreffende vreemdelingen die voor de toepassing van de WWB in vergelijkbare omstandigheden verkeren als verzoeker.
4.7. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond om in zijn geval anders te oordelen. De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Staatssecretaris van Justitie in de hier te beoordelen periode nog niet had beslist op de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 vanPro de Vw 2000 onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Dat betekent dat het daartoe bevoegde bestuursorgaan nog niet had beoordeeld of verzoeker, zoals hij heeft gesteld, heeft aangetoond dat hij er alles aan heeft gedaan om terug te keren naar zijn eigen land en dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst geen toestemming verlenen voor zijn terugkeer.
4.8. Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het dan ook niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.
4.9. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.
5. De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010.