ECLI:NL:CRVB:2010:BN2046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor functies per 1 augustus 2007
Appellant werd op 14 november 2004 wegens rugklachten na een bedrijfsongeval ongeschikt voor zijn werk als magazijnmedewerker. Na afloop van de wachttijd van 104 weken ontstond geen recht op WIA-uitkering omdat hij geschikt werd geacht voor andere functies met een inkomen dat minder dan 35% arbeidsongeschiktheid veroorzaakte.
Op 8 juni 2007 meldde appellant zich ziek vanuit een WW-uitkeringssituatie. Bij besluit van 27 juli 2007 maakte het UWV bekend dat appellant vanaf 1 augustus 2007 geen recht meer had op een Ziektewetuitkering, omdat hij geschikt werd geacht voor de eerder geduide functies. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd bij besluit van 20 november 2007 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Zij hechtte vooral waarde aan het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts en het rapport van psychiater G.T. Gerssen, die concludeerden dat appellant in staat was de functies te verrichten die eerder waren vastgesteld. Appellant kon zijn standpunt dat zijn rug- en psychische klachten het verrichten van deze functies onmogelijk maakten niet met medische gegevens onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en ziet geen reden dit te wijzigen. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 1 augustus 2007 geen recht heeft op een Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor functies.