ECLI:NL:CRVB:2010:BN2048

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1774 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziektewet-uitkering ondanks rugklachten appellant

Appellant, werkzaam als inpakker, meldde zich ziek vanwege rugklachten en ontving ziektewet-uitkering. De verzekeringsarts concludeerde na onderzoek dat appellant ondanks zijn beperkingen geschikt was voor zijn laatst verrichte werk. Het Uwv beëindigde daarop de uitkering.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de bezwaarverzekeringsarts bevestigde de eerdere beoordeling na herbeoordeling en aanvullend medisch onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de uitkomst juist is. De Raad benadrukt dat de werkzaamheden als inpakker licht van aard zijn, zonder hoge werkdruk of productiepieken, en dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd. Daarom is het besluit van het Uwv om de uitkering te beëindigen terecht en wordt het hoger beroep afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ziektewet-uitkering bevestigd.

Uitspraak

09/1774 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 februari 2009, 08/3623 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.R. Moes, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, voorheen werkzaam als inpakker, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet met rugklachten per 10 maart 2008 ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts P.H. de Haan. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant, ondanks de beperkingen aan de rug, met ingang van 7 april 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk als inpakker. Bij besluit van 4 april 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 7 april 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Bij besluit van 2 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 april 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts De Haan appellant op het spreekuur van 4 april 2008 lichamelijk heeft onderzocht, waarbij hij op de hoogte was van de al sinds 1997 bestaande rugklachten. Uit de medische kaart blijkt vervolgens dat de verzekeringsarts een voldoende duidelijk beeld had van de aard en de zwaarte van de functie van inpakker. Er werden diverse (meestal zeer lichte) inpakwerkzaamheden verricht in een ruim opgezette productieruimte zonder machines met een dwingend werktempo, waarbij de werkzaamheden over het algemeen zittend werden uitgevoerd. Er was geen sprake van werkdruk, hoog handelingstempo, deadlines of productiepieken. In overleg kon altijd een modus worden gevonden om houdingswisselingen in te bouwen (afwisseling van zitten, staan en lopen). De Haan heeft, met inachtneming van deze belasting, geconcludeerd dat appellant, ondanks de onveranderd forse rugbeperkingen, geschikt is te achten voor de functie van inpakker. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Van Hooff het dossier bestudeerd, appellant op het spreekuur van 17 juni 2008 gezien en bij de beoordeling alle in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector meegewogen. Ten aanzien van de meest recente informatie van de orthopedisch chirurg van 9 juni 2008 – waaruit blijkt dat nog steeds sprake is van een lysis/listhesis op L5-S1 – heeft Van Hooff overwogen dat hieruit geenszins blijkt dat de medische situatie ten opzichte van 2002 is verslechterd. Nu appellant tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts De Haan heeft aangegeven dat de functie van inpakker zeer goed bij zijn rugklachten paste en hij noch in beroep noch in hoger beroep enige nog niet eerder bij het Uwv bekende medische informatie heeft overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts.
3.4. Hetgeen onder 3.2 en 3.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 7 april 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) D.E.P.M. Bary.
RK