ECLI:NL:CRVB:2010:BN2320

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3578 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 lid 3 WuboArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek erkenning burger-oorlogsslachtoffer Wubo

Appellante, geboren in 1926 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in december 2007 een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet was gebleken dat zij tijdens de oorlogsjaren gebeurtenissen had meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. De afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar.

In november 2008 diende appellante een nieuwe aanvraag in, die eveneens werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. Deze aanvraag werd door verweerster gekwalificeerd als een verzoek om herziening van het eerdere besluit. De Raad toetst terughoudend en oordeelt dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening.

Appellante verwees in beroep onder meer naar informatie over haar neven en stelde dat onterecht geen medisch onderzoek was ingesteld. De Raad stelt dat de informatie over neven reeds was betrokken bij de eerdere beoordeling en dat een medisch onderzoek pas aan de orde is wanneer is vastgesteld dat appellante door oorlogsgeweld is getroffen. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten kan het bestreden besluit in stand blijven en wordt het beroep ongegrond verklaard.

De Raad erkent dat appellante angstige omstandigheden heeft ervaren tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode, maar benadrukt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan de specifieke gebeurtenissen zoals omschreven in de Wubo. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar herzieningsverzoek op grond van de Wubo wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

09/3578 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 24 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 5 juni 2009, kenmerk BZ 8927 JZ/I/60/2000, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellante is daar, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegen-woordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In december 2007 heeft appellante, geboren in 1926 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wubo.Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 9 juni 2008, zoals na hiertegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 september 2008, op de grond dat niet is gebleken dat appellante tijdens de oorlogsjaren in het voormalige Nederlands-Indië gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. Hiertoe is overwogen dat de door appellante meegemaakte huiszoekingen door Japanse soldaten niet tegen haar waren gericht en niet gepaard gingen met excessief geweld, terwijl de door appellante gestelde betrokkenheid bij beschietingen te Bandoeng tijdens de Bersiap-periode onvoldoende aannemelijk is geworden. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante geen beroep ingesteld, zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden.
1.2. In november 2008 heeft appellante zich tot verweerster gewend met een nieuwe aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo.Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 2 februari 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat geen aanleiding bestaat om de afwijzing van de eerdere aanvraag van december 2007 met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wubo te herzien. Hiertoe is overwogen dat tijdens de aanvraagprocedure noch in bezwaar gegevens zijn overgelegd of anderszins naar voren gekomen die alsnog de betrokkenheid van appellante bij oorlogscalamiteiten in de zin van de Wubo kunnen bevestigen.
1.3. In beroep is door en namens appellante onder meer verwezen naar bij verweerster bekende informatie over neven van appellante en voorts gesteld dat ten onrechte niet ook een medisch onderzoek is ingesteld.
2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.Daartoe wordt overwogen als volgt.
2.1. De hiervoor genoemde aanvraag van november 2008 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van de door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluiten over de aanvraag van december 2007.
2.1. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, het geen met zich brengt dat de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellante feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van de besluiten over de eerdere aanvraag van appellante niet bekend waren en die besluiten in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten zien om tot herziening over te gaan.
2.2. De Raad moet vaststellen dat appellante bij het onderhavige herzieningsverzoek, noch in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Appellante heeft in wezen herhaald hetgeen zij al aan haar eerdere aanvraag ten grondslag had gelegd. De door appellante bedoelde informatie over haar neven heeft verweerster blijkens de gedingstukken ook al bij de beoordeling van de eerdere aanvraag betrokken. Naar verweerster voorts in het bestreden besluit terecht heeft overwogen kan van een medische beoordeling pas sprake zijn nadat is vastgesteld dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerster haar eerdere afwijzende besluiten in het voordeel van appellante had behoren te herzien. Ook hetgeen overigens is aangevoerd leidt de Raad niet tot de slotsom dat verweerster een besluit heeft genomen dat de bovenomschreven toetsing niet kan doorstaan.
3. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.Daarmee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) I. Mos.
HD