ECLI:NL:CRVB:2010:BN2320
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek erkenning burger-oorlogsslachtoffer Wubo
Appellante, geboren in 1926 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in december 2007 een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet was gebleken dat zij tijdens de oorlogsjaren gebeurtenissen had meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. De afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar.
In november 2008 diende appellante een nieuwe aanvraag in, die eveneens werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. Deze aanvraag werd door verweerster gekwalificeerd als een verzoek om herziening van het eerdere besluit. De Raad toetst terughoudend en oordeelt dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening.
Appellante verwees in beroep onder meer naar informatie over haar neven en stelde dat onterecht geen medisch onderzoek was ingesteld. De Raad stelt dat de informatie over neven reeds was betrokken bij de eerdere beoordeling en dat een medisch onderzoek pas aan de orde is wanneer is vastgesteld dat appellante door oorlogsgeweld is getroffen. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten kan het bestreden besluit in stand blijven en wordt het beroep ongegrond verklaard.
De Raad erkent dat appellante angstige omstandigheden heeft ervaren tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode, maar benadrukt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan de specifieke gebeurtenissen zoals omschreven in de Wubo. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar herzieningsverzoek op grond van de Wubo wordt ongegrond verklaard.