ECLI:NL:CRVB:2010:BN2329
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag gelijkstelling met vervolgde wegens ontbreken medisch verband
Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in januari 2009 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvraag af omdat appellant zelf geen vervolging had ondergaan en er geen ziekten of gebreken waren die redelijkerwijs verband hielden met het overlijden van zijn vader ten gevolge van diens vervolging.
Appellant voerde aan dat hij tijdens de oorlogsjaren en de daaropvolgende Bersiap-periode in het voormalig Nederlands-Indië onder bedreigende omstandigheden had geleefd en dat hij volgens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo) al erkend was als slachtoffer van oorlogsgeweld. De Raad onderzocht of het bestreden besluit in rechte stand kon houden.
De Raad overwoog dat de bevoegdheid van de verweerster om appellant gelijk te stellen met een vervolgde discretionair is en dat het besluit niet onredelijk was. De medische adviezen, gebaseerd op onderzoek en informatie van behandelend artsen, concludeerden dat appellant wel psychische klachten had (incompleet PTSS), maar dat deze niet gerelateerd waren aan het overlijden van zijn vader door vervolging.
De Raad vond het besluit deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en zag geen grond om te twijfelen aan de medische beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van medisch verband met vervolging.