ECLI:NL:CRVB:2010:BN2342
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), met het oog op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees haar aanvraag af omdat niet was aangetoond dat zij direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd. Appellante stelde onder meer dat zij dwangarbeid voor de Japanse bezetter had verricht, haar vader bedreigd was en haar huis tijdens de Bersiap-periode was beschoten.
De Raad stelde vast dat algemene oorlogsomstandigheden niet onder de Wubo vallen en dat het onderzoek van verweerster geen bevestiging gaf van directe persoonlijke betrokkenheid bij de genoemde gebeurtenissen. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kon blijven, ondanks de erkende ingrijpende omstandigheden die appellante had ervaren.
De Raad benadrukte dat de Wubo een beperkte strekking heeft en dat erkenning gebonden is aan specifieke in de wet omschreven gebeurtenissen. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.