ECLI:NL:CRVB:2010:BN2400

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5283 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WuboArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende oorlogsgeweld onder Wubo

Appellante vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) vanwege diverse oorlogservaringen, waaronder het overlijden van haar vader in kamp Vught, een huiszoeking door SS’ers, executies nabij haar woonplaats en beschietingen op de Dam.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees haar aanvraag af omdat niet was komen vast te staan dat zij direct was getroffen door oorlogsgeweld zoals omschreven in de Wubo. De Raad bevestigde dit standpunt na bezwaar en appellante stelde beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat het overlijden van haar vader niet onder het begrip oorlogsgeweld valt en dat de huiszoeking niet gepaard ging met excessief geweld. Ook was appellante niet direct getuige van executies of beschietingen, maar slechts in de nabijheid aanwezig, wat onvoldoende is voor erkenning.

Hoewel de Raad erkent dat appellante tijdens de oorlogsjaren angstige en ingrijpende omstandigheden heeft meegemaakt, is de Wubo beperkt van strekking en gebonden aan specifieke gebeurtenissen. Daarom kan het bestreden besluit in stand blijven en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.

Uitspraak

09/5283 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).
Datum uitspraak: 8 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 18 augustus 2009, kenmerk BZ 9016, JZ/A60/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Voor appellante is verschenen [naam schoonzoon], haar schoonzoon en gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende, hier van belang zijnde, feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1931, heeft blijkens de gedingstukken in november 2008 een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo te worden erkend en uit dien hoofde in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden. Hierop is bij besluit van 3 april 2009 afwijzend beslist omdat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat appellante is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld. Dit standpunt heeft verweerster na door appellante gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.
1.2. Appellante kan zich met verweersters besluit niet verenigen. In haar opvatting heeft verweerster ten onrechte haar oorlogservaringen niet aangemerkt als onder de Wubo vallend oorlogsgeweld.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Door en namens appellante zijn gebeurtenissen naar voren gebracht die naar haar mening tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo zouden moeten leiden. Dit betreft, samengevat:
- het overlijden van haar vader tijdens detentie in kamp Vught;
- het moeten meemaken van een huiszoeking door SS’ers;
- het feit dat, toen zij naailes had op de Prins Hendrikkade te Zaandam, er op een boot vlakbij mensen werden neergeschoten;
- haar aanwezigheid op de Dam in Amsterdam op het moment dat daar beschietingen plaatsvonden op 7 mei 1945.
2.2. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het overlijden van appellantes vader niet een gebeurtenis is die onder de werking van de Wubo valt. Voorts is gebleken dat de - niet tegen appellante persoonlijk gerichte - huiszoeking niet gepaard ging met veel geweld, zodat deze gebeurtenis evenmin onder de werking van de Wubo is te brengen. Tot slot heeft verweerster overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellante direct betrokken is geweest bij de executies in Zaandam en/of de beschietingen op de Dam.
2.3. De Raad kan verweerster in deze opvatting volgen. Het overlijden van appellantes vader valt niet onder de omschrijving van het begrip oorlogsgeweld in artikel 2, eerste lid, van de Wubo en de huiszoeking ging niet gepaard met excessief geweld zodat deze gebeurtenissen niet aangemerkt kunnen worden als gebeurtenissen in de zin van de Wubo.
2.4. Voorts blijkt uit de gedingstukken, waaronder de in bezwaar opgemaakte getuigenverklaring van een vriendin van appellante, [naam vriendin], dat appellante weliswaar op de Dam aanwezig was op de dag dat de beschietingen plaatsvonden maar ook blijkt dat zij direct is weggerend toen het schieten begon en daarom daarvan niet daadwerkelijk getuige is geweest. Hetzelfde geldt voor de executies in Zaandam. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante zich dicht in de buurt van die gebeurtenis bevond en de schoten heeft gehoord, maar dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is geweest van directe confrontatie met executie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wubo.
2.5. Gelet op het vorenstaande kan de Raad niet anders dan concluderen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daarmee is zeker niet miskend dat appellante tijdens de oorlogsjaren bijzonder angstige en ingrijpende omstandigheden heeft ervaren. De Wubo heeft echter een beperkte strekking hetgeen meebrengt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo is gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) I. Mos.
HD