ECLI:NL:CRVB:2010:BN2413

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6836 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, sinds 1995 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten, kreeg vanaf 1996 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2008 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts concludeerde dat haar psychische belastbaarheid was verminderd, maar dat een urenbeperking niet noodzakelijk was. De arbeidsdeskundige berekende een verlies aan verdienvermogen van slechts 3%, waarop het UWV besloot de WAO-uitkering per 11 september 2008 in te trekken.

In de bezwaarprocedure bevestigden een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige dat appellante benutbare mogelijkheden had en geschikt was voor enkele functies, met een verlies aan verdienvermogen van 5%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. In beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en dat zij de functies niet kon vervullen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV onderschreven. De Raad vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante waren onderschat en oordeelde dat het bestreden besluit op een voldoende grondslag berust. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/6836 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2009, 09/979 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.E. Crone, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is in 1995 uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster wegens psychische klachten. Ingaande 30 september 1996 is zij in aanmerking gebracht voor onder meer een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 13 februari 2008 door verzekeringsarts W.A. Kooijman onderzocht, die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat de psychische/cognitieve belastbaarheid van appellante is verminderd. Een urenbeperking achtte de verzekeringsarts, onder verwijzing naar de Standaard verminderde arbeidsduur, niet aangewezen. Kooijman heeft de beperkingen weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 februari 2008. Daarna heeft de arbeidsdeskundige C. Weegman-Dons in haar rapport van 10 juni 2008 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 3%. Bij besluit van 10 juli 2008 is de WAO uitkering van appellante met ingang van 11 september 2008 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.
3. In de bezwaarfase is bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep na heroverweging van de beschikbare gegevens tot de conclusie gekomen dat terecht is gesteld dat er bij appellante sprake is van benutbare mogelijkheden en dat de belastbaarheid juist is weergegeven. Door de bezwaararbeidsdeskundige A.W. Van Mastrigt is vervolgens een nadere toelichting gegeven op de signaleringen in de functies. In zijn rapport van 13 februari 2009 heeft hij vastgesteld dat de functies elektromonteur (SBC-code 267010), inpakker (SBC-code 111190), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) voor appellante geschikt zijn te achten. Het verlies aan verdienverdienvermogen is vastgesteld op 5%. Bij besluit van 17 februari 2009, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juli 2008 ongegrond verklaard.
4. In beroep heeft appellante een rapport van 26 februari 2009 van medisch adviseur H. Donkers ingediend, waarop bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep in zijn rapport van 25 mei 2009 heeft gereageerd. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.
5.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar klachten en dat zij om die reden ook niet in staat is om de geduide functies te vervullen. Zij is van mening dat het standpunt van de medisch adviseur in beroep onvoldoende is weerlegd.
5.2. De Raad overweegt als volgt.
5.3. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de beschikbare medische informatie in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Naar aanleiding van het in beroep overgelegde rapport van Donkers heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 25 mei 2009 gemotiveerd aangegeven dat deze informatie geen reden vormt om de FML te wijzigen. De enkele stelling van appellante in hoger beroep dat haar beperkingen zijn onderschat biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.
5.4. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. In het rapporten van de arbeidsdeskundige W. Th. Pompe van 5 november 2008 en de bezwaararbeidskundige Van Mastrigt van 13 februari 2009 is voldoende toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn te achten voor appellante.
5.5. Uit het overwogene onder 5.3 en 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor de veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.H.A. Uri.
RK