ECLI:NL:CRVB:2010:BN2709

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5459 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late griffierechtbetaling ongegrond verklaard

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem, maar het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Appellant stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat hij tijdig opdracht had gegeven tot betaling, maar door vertraging bij de bank het griffierecht te laat was bijgeschreven.

De Raad oordeelde dat het griffierecht acht dagen te laat was betaald en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in verzuim was. Ondanks dat appellant de griffie had geïnformeerd over de situatie en de vertraging door feestdagen, was hij ruim voor de kerstdagen op de hoogte dat de overschrijving niet had plaatsgevonden en had hij andere maatregelen kunnen nemen om tijdig te betalen.

De Raad stelde vast dat artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet dwingend voorschrijft dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard bij onverschoonbare termijnoverschrijding. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en het griffierecht terugbetaald. Een veroordeling in de kosten van verzet werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens te late betaling van het griffierecht.

Uitspraak

09/5459 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 september 2009, 09/2470 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
Datum uitspraak: 6 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 2 maart 2010 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van 2 maart 2010 heeft appellant verzet gedaan.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 mei 2010, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 2 maart 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde recht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het verschuldigde griffierecht acht dagen te laat (namelijk op 31 december 2009) is betaald.
In het verzetschrift is aangevoerd dat appellant, nadat hem was gebleken dat het saldo op zijn girorekening ontoereikend was, de ABN AMRO-bank heeft verzocht het bedrag over te schrijven. Bij navraag bij de bank is appellant evenwel gebleken dat de overschrijving daar niet bekend was, waarna hij alsnog een opdracht tot overschrijving persoonlijk naar de bank heeft gebracht. Nadien heeft appellant van de bank vernomen dat de overschrijving had plaatsgevonden, maar dat het door de feestdagen wel langer kon duren. Appellant heeft aangevoerd dat hij de griffie van de Raad van het een en ander op de hoogte heeft gesteld.
De Raad ziet hierin geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Bij de per aangetekende post verzonden brief van 26 november 2009 is appellant erop gewezen dat hij er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van die brief per kas is voldaan of per bank is overgemaakt, waarbij beslissend is uitsluitend de dag waarop het bedrag op de aangegeven bankrekening is bijgeschreven. De omstandigheid dat, zoals appellant stelt, de eerste opdracht tot overschrijving van het bedrag de ABN AMRO-bank niet heeft bereikt, komt voor zijn rekening en risico. Nu appellant, zoals hij in het verzetschrift heeft aangevoerd, ruimschoots voor de kerstdagen ervan op de hoogte was dat de overschrijving niet had plaatsgevonden, had hij op andere wijze ervoor kunnen zorgen, bijvoorbeeld door middel van een telefonische spoedopdracht of betaling per kas ter griffie van de Raad, dat het griffierecht tijdig was voldaan. De omstandigheid dat appellant, zoals aangevoerd, de griffie van de Raad heeft geïnformeerd dat hij de opdracht tot overschrijving persoonlijk naar de bank heeft gebracht en dat in verband met de feestdagen mogelijk sprake kan zijn van een vertraging in de uitvoering van de overschrijving, kan niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan appellant meent, kan de Raad bij een onverschoonbare overschrijding van deze termijn tot geen andere beslissing komen dan het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet schrijft immers - dwingend - voor dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.
Voor een veroordeling in de kosten van verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) M. Mostert.
AV