ECLI:NL:CRVB:2010:BN2754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vervroegde toekenning AOW-pensioen wegens niet-verschoonbare onbekendheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van haar AOW-pensioen met ingang van juli 2006, terwijl zij meende recht te hebben op een pensioen vanaf haar 65e verjaardag in juli 2000. Zij stelde dat zij ten onrechte dacht dat het recht op AOW was vervallen door de remigratie van haar echtgenoot en dat de Sociale verzekeringsbank (Svb) haar echtgenoot in 1987 verkeerd had voorgelicht.
De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat het pensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraagdatum, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Onbekendheid met de wetgeving is geen bijzonder geval, tenzij deze verschoonbaar is, wat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de overwegingen van de rechtbank onderschreven en het beroep van appellante verworpen. De Raad bevestigt dat de onjuiste conclusie van appellante over de afkoopsom voor risico van appellante blijft en dat het pensioen niet eerder kan ingaan dan juli 2006.
De Raad ziet geen aanleiding om de proceskosten aan een van de partijen toe te wijzen en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het AOW-pensioen wordt toegekend met ingang van juli 2006 en niet eerder vanwege niet-verschoonbare onbekendheid.