ECLI:NL:CRVB:2010:BN3027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds juni 2006 arbeidsongeschikt is, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellant juist en zorgvuldig hadden vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren onderschat en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. Tevens stelde hij dat de functies die hem waren voorgesteld niet passend waren, onder meer vanwege zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal en psychische beperkingen. Het UWV handhaafde het eerdere standpunt.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat appellant geen nieuwe medische informatie had aangeleverd die zijn beperkingen zou onderbouwen. De functies die aan de schatting ten grondslag liggen, zijn medisch passend geacht. De Raad verwierp ook het beroep op onvoldoende taalbeheersing, omdat mondelinge beheersing van het Nederlands wordt beschouwd als een algemeen gebruikelijke bekwaamheid die binnen zes maanden kan worden verworven.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.