ECLI:NL:CRVB:2010:BN3031

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4594 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks geschil over medische beperkingen en Schattingsbesluit

Appellante, voormalig verpleeghulp, ontving sinds 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV herzag deze uitkering in 2008 naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid, wat appellante aanvocht. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV en de betrokken verzekeringsartsen geen onjuiste medische beperkingen hadden vastgesteld en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellante.

Appellante voerde aan dat het aangepaste Schattingsbesluit, dat uitgaat van een fictief maatmaninkomen, strijdig is met artikel 18 van Pro de WAO, dat het reële verlies aan verdiencapaciteit als maatstaf hanteert. De rechtbank verwierp deze stelling en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren zonder nieuwe medische of feitelijke gegevens aan te dragen die twijfel konden zaaien over het oordeel van de rechtbank. De Raad onderschreef het oordeel dat de medische beperkingen niet waren onderschat en dat het aangepaste Schattingsbesluit een wettelijke grondslag heeft in artikel 18 van Pro de WAO.

De Raad benadrukte dat het recht op uitkering niet alleen afhangt van de geschiktheid voor het eigen werk, maar van alle algemeen geaccepteerde arbeid die de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden kan verrichten. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/4594 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (Servië) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2009, 08/4235 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.G. van Westrenen, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Meijer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft haar werkzaamheden van verpleeghulp op 18 september 2000 vanwege psychische klachten gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken is aan haar met ingang van 17 september 2001 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 16 september 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 12 februari 2008 gehandhaafd, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 18 april 2008 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak op het beroep van appellante tegen het bestreden besluit overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv in navolging van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan.
2.2. Voorts heeft de rechtbank overwogen eveneens geen aanknopingspunten te zien voor de conclusie dat de aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht voor appellante niet geschikt zouden zijn.
2.3. Ten slotte heeft de rechtbank op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen de stelling van appellante verworpen dat het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in strijd is met de WAO, nu het uitgaat van een fictief maatmaninkomen, terwijl artikel 18, eerste lid, van de WAO uitgaat van het reële verlies aan verdiencapaciteit. Daarop heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Het hoger beroep van vormt in essentie een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. In hoger beroep is de stelling dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat en dat zij niet in staat is de werkzaamheden te verrichten die verbonden zijn aan de voor haar geschikt geachte functies niet ondersteund met nieuwe gegevens van medische en/of feitelijke aard die twijfel doen rijzen aan het oordeel van de rechtbank daaromtrent. De Raad onderschrijft dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
4.3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling dat het aangepaste Schattingsbesluit in strijd is met de WAO gemotiveerd door erop te wijzen dat voor het recht op uitkering niet bepalend is in hoeverre een arbeidsongeschikte in theorie nog zou kunnen werken, doch in hoeverre die arbeidsongeschikte nog in staat zal zijn het eigen werk te doen.
4.3.2. Dienaangaande overweegt de Raad dat die stelling van appellante eraan voorbij gaat dat niet uitsluitend de (on)geschiktheid voor het eigen werk, zijnde het laatstelijk voor de uitval verrichte werk, bepalend is voor het recht op uitkering. Ingevolge artikel 18, vijfde lid, van de WAO wordt onder arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. In artikel 18, achtste lid, van de WAO is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Het aangepaste Schattingsbesluit, waarin een uitwerking van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid is gegeven, vindt hierin zijn wettelijke grondslag. Strijd met het bepaalde in artikel 18 van Pro de WAO vermag de Raad hierin niet te ontdekken.
4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellante geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.J. van der Torn.
RK