ECLI:NL:CRVB:2010:BN3278

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6381ZW+09-6383WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19, eerste lid, ZWWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO- en ZW-uitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de intrekking van haar WAO- en ZW-uitkeringen door het UWV. De rechtbank Utrecht heeft de intrekking van de WAO-uitkering per 11 oktober 2005 bevestigd, waarbij een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% werd vastgesteld, en ook de intrekking van de ZW-uitkering per 1 mei 2007 gehandhaafd.

De medische beoordeling door de psychiater prof. dr. E. Hoencamp concludeerde dat appellante lijdt aan een chronische depressie zonder posttraumatische stoornis, en dat er geen sprake is van een urenbeperking die haar zou beletten de door het UWV geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank en de Raad hechten beslissende waarde aan dit deskundigenrapport en onderschrijven het advies dat een aanvankelijk gedeeltelijke werkhervatting niet betekent dat appellante ongeschikt is voor arbeid.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om een nieuwe deskundige in te schakelen en volgt het oordeel van de rechtbank dat appellante geschikt is voor de functies van productiemedewerker, bediende fotolaborant en productiemedewerker metaal/electro. Tevens is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De aangevallen uitspraken worden bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO- en ZW-uitkering en oordeelt dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies zonder urenbeperking.

Uitspraak

09/6381 ZW en 09/6383 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 23 oktober 2009, 07/3203, respectievelijk 07/3254 (hierna: aangevallen uitspraken 1 en 2),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. ten Have, thans advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Ook de gemachtigde van appellante heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Have. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.
II. OVERWEGINGEN
09/6383 WAO
1. Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 11 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Bij besluit van 10 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2005 gegrond verklaard, haar WAO-uitkering per 11 oktober 2005 ongewijzigd voortgezet en per 24 mei 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 bij aangevallen uitspraak 2 ongegrond verklaard en heeft daarbij inzake de medische kant van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde psychiater prof. dr. E. Hoencamp.
2.2. De deskundige heeft in zijn rapport van 20 april 2009 geconcludeerd dat appellante een chronisch dysfore vrouw is met een dysthyme stoornis of chronische depressie zonder aanwijzingen voor een posttraumatische stoornis in engere zin. Hij heeft zich verenigd met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van februari 2006, met dien verstande dat mogelijk meer aandacht besteed kan worden aan het noodzakelijke revalidatietraject en een urenbeperking, vooral in de beginfase van een dergelijk traject.
2.3. De rechtbank heeft daaromtrent overwogen, dat het advies van prof. dr. Hoencamp tot aanvankelijk gedeeltelijke werkhervatting niet betekent dat er sprake is van een urenbeperking als bedoeld in het Schattingsbesluit.
2.4. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven met verwijzing naar de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 maart 2006 en 19 maart 2007.
3. De Raad oordeelt als volgt
3.1. De Raad onderschrijft de overwegingen en de conclusies van de rechtbank in aangevallen uitspraak 2. Daarbij kent ook de Raad betreffende het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling beslissende betekenis toe aan het op verzoek van de rechtbank door de psychiater prof. dr. Hoencamp omtrent de gezondheidstoestand van appellante uitgebracht rapport van 20 april 2009. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellante, op de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, evenals op de door hem verkregen informatie van de behandelende sector. In dit oordeel ligt besloten, dat de Raad geen aanleiding ziet om een nieuwe deskundige in te schakelen en het oordeel van de rechtbank volgt dat er geen aanknopingspunten zijn voor een urenbeperking. De Raad verwijst hiervoor naar het
- onweersproken - rapport van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 4 januari 2010. De nader ingebrachte stukken en de omstandigheid dat appellante nadien meermalen ziekengeld heeft ontvangen leiden de Raad niet tot een ander oordeel.
3.2. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.
09/6381 ZW
4. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 1 mei 2007 ingetrokken, onder de overweging dat appellante met ingang van die datum geschikt was voor het werk van
productiemedewerker, bediende fotolaborant en productiemedewerker metaal/electro. Bij besluit van 10 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2007 ongegrond verklaard.
5. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 bij aangevallen uitspraak 1 ongegrond verklaard en ook in dit geding doorslaggevende betekenis toegekend aan het onder 2.2 genoemde rapport van de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde psychiater prof. dr. Hoencamp. De rechtbank heeft overwogen dat appellante op
1 mei 2007 belastbaar was overeenkomstig de FML van 24 februari 2006 en derhalve in staat was de door het Uwv in het kader van de WAO-procedure geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd, dat het advies van Hoencamp tot aanvankelijk gedeeltelijke werkhervatting, gelet op het criterium van artikel 19, eerste lid, van de ZW, niet betekent dat appellante niet in staat is deze functies te verrichten.
6.1. De Raad heeft in hoger beroep geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank in dit geding voor onjuist te houden. Hierin ligt besloten, dat de Raad ook in dit geding geen reden ziet om een nieuwe deskundige in te schakelen en het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het advies van de deskundige om appellante eerst parttime te laten hervatten, niet inhoudt dat zij ongeschikt is voor haar arbeid in het kader van de ZW. De Raad verwijst ook hier naar het onder 3.1 genoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel.
6.2. Het hiervoor onder 6.1 overwogene leidt de Raad tot de slotsom, dat het hoger beroep geen doel treft en aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.
7. Tot slot acht de Raad in beide gedingen geen termen aanwezig om te komen tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) D.E.P.M. Bary.
RK