ECLI:NL:CRVB:2010:BN3322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAZ-uitkering en vergoeding proceskosten na overschrijding redelijke termijn
Appellant, een voormalig zelfstandig melkvee- en paardenhouder, kreeg aanvankelijk een WAZ-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling stelde het UWV de uitkering per 17 februari 2006 vast op 45-55% arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat de toename van zijn rugklachten niet juist was beoordeeld en dat functies waarin nachtarbeid en zondagwerk voorkomen niet passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde in hoger beroep het gewijzigde besluit van 19 december 2008, waarbij de uitkering per 12 december 2005 werd vastgesteld. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren gemotiveerd en dat de functies die aan de schatting ten grondslag lagen, de belastbaarheid van appellant niet overschreden.
Verder stelde de Raad vast dat de redelijke termijn voor de bezwaarprocedure was overschreden, waardoor het UWV werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 en tot vergoeding van proceskosten van in totaal €1.449, inclusief griffierecht. De grief over het verbod van reformatio in peius faalde, evenals de bezwaren tegen nachtarbeid en zondagwerk in de functies.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 juli 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de WAZ-uitkering per 12 december 2005 en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.