ECLI:NL:CRVB:2010:BN3963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekeringsplicht en gezagsverhouding in privaatrechtelijke dienstbetrekking
De zaak betreft hoger beroepen van appellante en het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage over de verzekeringsplicht van twee personen die werkzaamheden verrichtten voor appellante. De Belastingdienst stelde dat betalingen aan deze personen als loon uit dienstbetrekking moesten worden aangemerkt. Het UWV legde correctie- en boetenota’s op wegens het niet afdragen van premies werknemersverzekeringen.
De rechtbank oordeelde dat één betrokkene, [H.], wel in een dienstbetrekking stond, maar de ander, [eigenaar], niet. Het hoger beroep van appellante richtte zich tegen de verzekeringsplicht van [H.], terwijl het hoger beroep van het UWV zich richtte tegen het oordeel over [eigenaar].
De Raad concludeerde dat voor [H.] een gezagsverhouding aanwezig is, ondanks de bijzondere omstandigheden en een vaststellingsovereenkomst. Voor [eigenaar] oordeelde de Raad dat de VAR-WUO niet van toepassing was op de jaren in geschil en dat de werkzaamheden wezenlijke kernactiviteiten van appellante betreffen, waardoor ook hier sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met gezagsverhouding.
Daarmee verklaarde de Raad het hoger beroep van appellante ongegrond en dat van het UWV gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak dat appellante in het gelijk stelde en bevestigde het overige. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De correctie- en boetenota’s van het UWV zijn terecht opgelegd vanwege het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met gezagsverhouding.