ECLI:NL:CRVB:2010:BN5803

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1258 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om per 5 september 2007 het recht op ziekengeld te beëindigen, omdat hij niet langer wegens ziekte ongeschikt werd geacht voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische gegevens van de behandelaars van appellant waren betrokken.

In hoger beroep bracht appellant aanvullende medische stukken in, waaronder rapporten over klachten als oorsuizen, concentratieproblemen en een depressieve stoornis vastgesteld in 2009. De Raad oordeelde echter dat deze latere bevindingen onvoldoende reden geven voor een ander oordeel over de situatie in 2007. De brief van de behandelend zenuwarts gaf aan dat er onvoldoende objectieve gegevens waren om de depressieve stoornis ook voor 2007 vast te stellen.

De Raad hechtte daarom meer gewicht aan het verzekeringsartsrapport van 4 september 2007, waarin slechts spanningsklachten werden vermeld. Gezien deze feiten bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

09/1258 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 januari 2009, 07/4977 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2010.
Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar overweging 2.1 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het navolgende.
2. Bij besluit van 4 september 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 5 september 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
3. Bij besluit van 29 oktober 2007 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 september 2007 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij inlichtingen van de behandelaars van appellant door de verzekeringsartsen zijn betrokken. De door appellant in beroep overgelegde brieven van de behandelend sector bevatten naar het oordeel van de rechtbank geen medische gegevens die erop wijzen dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding verkeerd hebben beoordeeld.
5. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep, onder verwijzing naar door hem ingebrachte medische stukken, heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Appellants klachten van onder meer hardnekkig oorsuizen, hinderlijke bijgeluiden, evenwichtsstoornissen, concentratieproblemen en sinds medio 2007 trigeminusprikkeling, waarvan in de overgelegde brieven melding wordt gemaakt zijn door de bezwaarverzekeringsarts blijkens diens rapport van 25 oktober 2007 in de beoordeling betrokken. Dat de zenuwarts W. Eland bij een psychiatrische expertise van 3 oktober 2009 bij appellant een depressieve stoornis heeft vastgesteld, hetgeen er toe heeft geleid dat appellant per 28 juli 2009 ongeschikt is geacht voor zijn werk, vormt onvoldoende reden voor een ander oordeel in dit geding. De Raad wijst in dit verband op de brief van voornoemde zenuwarts van 7 november 2009, waarin deze verklaart dat hij onvoldoende objectieve gegevens heeft om de bevindingen van zijn rapport ook van toepassing te verklaren voor 2007. Naar het oordeel van de Raad komt in dit verband dan ook meer betekenis toe aan het rapport van de verzekeringsarts dat kort voor de datum in geding is uitgebracht, namelijk op 4 september 2007, en waarin slechts melding wordt gemaakt van spanningsklachten.
6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
EV