ECLI:NL:CRVB:2010:BN5814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies na medisch onderzoek
Appellant ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%, die door het UWV per 12 mei 2005 werd ingetrokken na medisch en arbeidskundig onderzoek. In 2007 meldde appellant zich ziek met diverse klachten waaronder longproblemen en slapeloosheid. Een medisch onderzoek in februari 2008 concludeerde dat appellant geschikt was voor een aantal functies die in het kader van de WAO-beoordeling aan hem waren voorgehouden.
Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld per 11 februari 2008. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat zijn klachten waren toegenomen en dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar zijn slapeloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant zijn beperkingen niet met concrete medische gegevens had onderbouwd en het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV. De Raad overwoog dat onder de Ziektewet de verzekerde recht heeft op ziekengeld bij ongeschiktheid voor zijn eigen arbeid, maar dat wanneer de verzekerde na de maximale duur ziekengeld te hebben ontvangen geschikt blijkt voor ten minste één van de WAO-functies, geen recht meer bestaat op ziekengeld.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.