ECLI:NL:CRVB:2010:BN5814

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1942 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies na medisch onderzoek

Appellant ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%, die door het UWV per 12 mei 2005 werd ingetrokken na medisch en arbeidskundig onderzoek. In 2007 meldde appellant zich ziek met diverse klachten waaronder longproblemen en slapeloosheid. Een medisch onderzoek in februari 2008 concludeerde dat appellant geschikt was voor een aantal functies die in het kader van de WAO-beoordeling aan hem waren voorgehouden.

Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld per 11 februari 2008. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat zijn klachten waren toegenomen en dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar zijn slapeloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant zijn beperkingen niet met concrete medische gegevens had onderbouwd en het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV. De Raad overwoog dat onder de Ziektewet de verzekerde recht heeft op ziekengeld bij ongeschiktheid voor zijn eigen arbeid, maar dat wanneer de verzekerde na de maximale duur ziekengeld te hebben ontvangen geschikt blijkt voor ten minste één van de WAO-functies, geen recht meer bestaat op ziekengeld.

De Raad concludeerde dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

09/1942 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2009, 08/1937 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2010. Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft laatstelijk een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op basis van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 16 maart 2005 deze WAO-uitkering per 12 mei 2005 ingetrokken.
1.2. Op 26 mei 2007 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving opnieuw ziek gemeld met keelpijn, duizeligheid, slaapproblematiek en longklachten. Op 8 februari 2008 is appellant onderzocht door de arts M. Mirzoyan, die op basis van eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat appellant per 11 februari 2008 geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid, te weten één van de in het kader van de WAO-beoordeling aan appellant voorgehouden functies: papierwarenmaker, dozenmaker, kartonnagemaker, machinaal metaalbewerker, meteropnemer, chauffeur bijzonder vervoer en productiemedewerker industrie. Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellant per 11 februari 2008 geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en met ingang van die datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2008 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 14 april 2008 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek onzorgvuldig noch onvolledig geweest. Volgens de rechtbank heeft appellant zijn standpunt ten aanzien van zijn beperkingen niet met concrete medische gegevens onderbouwd.
3.1. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren niet in staat te zijn (voltijds) het eigen werk te hervatten aangezien met name de longklachten en slapeloosheid zijn toegenomen. Volgens appellant is onvoldoende onderzoek gedaan naar de slapeloosheid.
3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift aangevoerd dat de gronden gelijk zijn aan die van het bezwaar en beroep in eerste aanleg.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.2. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.
4.3. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 11 februari 2008 in elk geval niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan hem in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies.
4.4. Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel en maakt die tot de zijne. De stellingen van appellant in hoger beroep zijn in wezen een herhaling van hetgeen reeds tegenover de rechtbank is betoogd en leveren geen nieuwe gezichtspunten op. Ook in hoger beroep wordt het standpunt van appellant dat hij meer beperkingen ondervindt ten gevolge van de toegenomen longklachten en slapeloosheid, niet met medische gegevens onderbouwd.
5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 11 februari 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
EV