ECLI:NL:CRVB:2010:BN5822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% per 10 oktober 2006. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling en de voorgestelde functies passend waren.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen door een burn-out uit 2004 onvoldoende waren meegenomen, met name vanwege een energetisch tekort dat een urenbeperking zou rechtvaardigen. Het UWV handhaafde het standpunt dat de psychische klachten pas na de peildatum waren ontstaan en daarom niet in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) hoefden te worden verwerkt.
De Raad oordeelde dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor meer beperkingen op de peildatum dan reeds in de FML waren opgenomen. Hoewel appellant psychische klachten had, waren deze volgens de medische rapportages niet relevant voor de datum van 10 oktober 2006. De Raad sloot zich aan bij de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsmogelijkheden zijn gebaseerd medisch geschikt zijn en dat de WSW-indicatie geen betekenis heeft in deze zaak.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een deskundigenonderzoek of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag voor meer dan 35% arbeidsongeschiktheid.