ECLI:NL:CRVB:2010:BN5822

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6733 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% per 10 oktober 2006. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling en de voorgestelde functies passend waren.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen door een burn-out uit 2004 onvoldoende waren meegenomen, met name vanwege een energetisch tekort dat een urenbeperking zou rechtvaardigen. Het UWV handhaafde het standpunt dat de psychische klachten pas na de peildatum waren ontstaan en daarom niet in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) hoefden te worden verwerkt.

De Raad oordeelde dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor meer beperkingen op de peildatum dan reeds in de FML waren opgenomen. Hoewel appellant psychische klachten had, waren deze volgens de medische rapportages niet relevant voor de datum van 10 oktober 2006. De Raad sloot zich aan bij de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsmogelijkheden zijn gebaseerd medisch geschikt zijn en dat de WSW-indicatie geen betekenis heeft in deze zaak.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een deskundigenonderzoek of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag voor meer dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/6733 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 23 oktober 2009, 09/2234 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 september 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. ing. H.J.M. Smelt, advocaat te Veldhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Appellant is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman. Voor het Uwv verscheen V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 31 mei 2007 ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd van 28 november 2006, waarbij is vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op 10 oktober 2006 minder is dan 35%.
2.1. De rechtbank heeft, nadat de Raad bij uitspraak van 1 april 2009, 08/2330, de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2008, 07/2258, had vernietigd en de zaak voor verdere behandeling had teruggewezen naar de rechtbank, het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij overwoog de rechtbank dat haar niet is gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een onjuist beeld hadden van de beperkingen van appellant en dat de functies, die appellant zijn voorgehouden als arbeidsmogelijkheden, voor hem geschikt zijn.
3.1. In hoger beroep heeft appellant de medische grondslag van het besluit van 31 mei 2007 ter discussie gesteld en betoogd dat met zijn klachten die het gevolg zijn van een in 2004 ontstane burn out onvoldoende rekening is gehouden bij de beschrijving van zijn beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ter onderbouwing van zijn stelling dat in verband met een energetisch tekort een urenbeperking is aangewezen verwijst appellant naar de WSW-indicatie van 6 juni 2008.
3.2. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 16 maart 2010 zijn standpunt gehandhaafd dat de psychische klachten van appellant zijn ontstaan na de in geding zijnde datum van 10 oktober 2006, zodat daarmee bij de verwoording van de beperkingen in de FML geen rekening hoefde te worden gehouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant is in verband met psychische klachten door zijn huisarts verwezen naar GGZ Oost-Brabant, waar hij op 5 december 2006 een eerste gesprek heeft gehad met psycholoog S. Giesen. In haar rapportage van 21 december 2006 beschrijft zij appellant als een perfectionistische man met een hoog arbeidsethos die na jarenlang fysiek zwaar werk te hebben verricht is gaan kampen met lichamelijke klachten en vermoedelijk vanwege de hoge eisen, die hij altijd aan zichzelf heeft gesteld, in toenemende mate depressieve klachten heeft ontwikkeld. Deze klachten, waarvan de later behandelende psychiater E.J.M. de Vos blijkens haar verklaring van 27 augustus 2007 het ontstaan veronderstelt in 2004, zijn naar de opvatting van Giesen verergerd door de druk die appellant vanuit het Uwv heeft ervaren.
4.2. Bezwaarverzekeringsarts P.M.H.J. Tjen heeft, nadat hij tijdens de hoorzitting op 9 mei 2007 een eigen indruk had gekregen van psychische toestand van appellant, besloten tot aanpassing van de FML. Tjen nam geen depressief toestandsbeeld waar. In verband met de persoonlijkheidsstructuur van appellant en zijn neiging om op sociale stress met pijnklachten te reageren heeft Tjen beperkingen toegevoegd op de items “omgaan met conflicten” en “contact met klanten”.
4.3. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de door appellant overgelegde medische gegevens niet dat hij op de in geding zijnde datum 10 oktober 2006 meer beperkingen had voor het verrichten van arbeid dan in de FML van 10 mei 2007 zijn verwoord.
4.4. Aangenomen dat appellant al voordat het einde van de wachttijd ingevolge de Wet WIA werd bereikt psychische klachten ondervond, kan de Raad niet anders dan vaststellen dat hij van die klachten in zijn contacten met artsen geen melding heeft gemaakt. Niet alleen heeft hij blijkens de rapporten van de verzekeringsarts K. Luyten van 16 augustus 2006 en 3 november 2006 tijdens de spreekuurcontacten op 15 augustus respectievelijk 1 november 2006 niet van psychische klachten gerept, ook uit de zich bij de stukken bevindende rapportages van zijn huisarts van 6 maart 2005 en 22 september 2006 blijkt niet dat van – een zich ontwikkelende – psychische problematiek sprake was. In zijn contact met arbeidsdeskundige G.A. van Dijk op 11 oktober 2006 heeft appellant wel melding gemaakt van nieuwe klachten, die nog niet aan de verzekeringsarts waren gemeld, maar dit betrof klachten van kramp op verschillende plaatsen in het lichaam en infecties aan de slokdarm.
4.5. Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het besluit van 31 mei 2007 een voldoende medische grondslag heeft. Voor een onderzoek door een deskundige, zoals appellant ter zitting opnieuw heeft verzocht, ziet de Raad geen aanleiding.
4.6. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de functies, waarop de schatting steunt, in medisch opzicht voor appellant niet geschikt zijn. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat in het onderhavige geschil aan de WSW-indicatie geen betekenis toekomt.
4.7. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2010.
(get.) M. Greebe
(get.) D.E.P.M. Bary
RH