ECLI:NL:CRVB:2010:BN5928

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1081 + 10-1082 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens overschrijding termijn kinderbijslag

Appellanten maakten bezwaar tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin werd vastgesteld dat zij vanaf het vierde kwartaal van 2002 geen recht meer hadden op kinderbijslag omdat zij niet meer in Nederland woonden en werkten. Dit besluit was verzonden naar het bij de Svb bekende adres in Den Haag, waar appellanten nog steeds stonden ingeschreven.

Appellanten dienden hun bezwaar pas in september 2008 in, ruim na de wettelijke termijn. Zij stelden dat zij het besluit pas toen onder ogen kregen omdat de post via het Nederlandse adres van de moeder van appellanten werd ontvangen terwijl zij in Frankrijk woonden. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare omstandigheden.

De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat appellanten zelf verantwoordelijk waren voor het tijdig doorzenden van post vanuit Nederland. Uit correspondentie bleek dat appellanten het Nederlandse adres gebruikten en niet het Franse adres hadden doorgegeven. Er was geen sprake van een onjuiste adressering van het besluit. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.

Uitkomst: Het bezwaar van appellanten wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

10/1081 + 10/1082 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellanten], wonende te [woonplaats], Frankrijk (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 09/290 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 3 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2010. Appellanten zijn daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 23 mei 2008 heeft de Svb aan appellanten medegedeeld dat zij vanaf het vierde kwartaal van 2002 geen recht meer hebben op kinderbijslag omdat zij vanaf dat kwartaal niet meer in Nederland wonen en werken. Dit besluit is verzonden naar het bij de Svb bekende adres van appellanten in Den Haag.
1.2. Bij brief van 8 september 2008, door de Svb ontvangen op 17 september 2008, hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2008.
1.3. In antwoord op een vraag van de Svb naar de redenen waarom het bezwaar te laat is gemaakt, hebben appellanten aangegeven dat zij het besluit pas in september 2008 onder ogen hebben gekregen. Het gebruikte adres in Den Haag is het adres van de moeder van appellant en de post is in september toen appellant in Nederland was meegenomen en beantwoord.
1.4. Bij beslissing op bezwaar van 9 december 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat de termijn voor het indienen van bezwaar is overschreden en niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. De Svb heeft hiertoe overwogen dat het besluit van 23 mei 2008 is opgestuurd naar het bij de Svb bekende adres in Den Haag op welk adres appellante nog steeds staat ingeschreven bij de gemeente Den Haag. Voorts blijkt uit de e-mailwisseling tussen appellante en de Svb uit 2007 dat appellante in die mails ook het adres in Den Haag heeft gebruikt. De Svb is pas bij het bezwaarschrift van 8 september 2008 op de hoogte gesteld van het adres in Frankrijk.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellanten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellante als eiseres, appellanten als eisers en de Svb als verweerder is aangeduid.
“Hetgeen eisers hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Hierbij is het volgende van belang. Bij brief van 7 september 2007 heeft de Svb eisers in verband met hun verblijf in het buitenland en aanspraak op kinderbijslag verzocht een formulier in te vullen en te retourneren. Deze brief is verzonden naar het [adres] te Den Haag. Op 8 oktober 2007 heeft eiseres hierop per e-mail gereageerd. In dit e-mailbericht heeft zij voornoemd adres opgegeven. In een e-mail van 29 november 2007 heeft eiseres wederom dit adres opgegeven. Verweerder heeft het primaire besluit naar dit adres verzonden. Onder deze omstandigheden is van een besluit met een onjuiste adressering, anders dan eisers stellen, geen sprake. Bovendien is ter zitting uit een overzicht van SUWINET van 23 november 2009 gebleken dat eiseres nog immer staat ingeschreven op het [adres] te
Den Haag. Voorts kan de rechtbank onder de gegeven omstandigheden de stelling van eisers niet volgen dat er voor het primaire besluit geen correspondentie met de Svb is geweest. Eiseres heeft blijkens de hierboven weergegeven correspondentie een adres in Nederland opgegeven en heeft er niet voor gekozen een adres in Frankrijk op te geven. De gevolgen van deze keuze komen voor risico en rekening van eisers. Dat eisers eerst het primaire besluit hebben ontvangen toen zij in september 2008 in Nederland waren, leidt dan ook niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Het is aan eisers om de nodige maatregelen te treffen dat de post in Nederland tijdig aan hen wordt doorgezonden. Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.”
3. De Raad kan zich geheel verenigen met dit oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne. Nu door appellanten geen nieuwe of andere omstandigheden zijn aangevoerd welke in dit verband van belang zouden kunnen zijn, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2010.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) A.L. de Gier.
EV