ECLI:NL:CRVB:2010:BN6262

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4651 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 16 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op bijstand tijdens detentie zonder zeer dringende redenen

Appellant had bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verbleef van 19 februari tot 7 maart 2008 in detentie. Het College kende bijstand toe voor de periode vóór detentie, maar beëindigde deze per aanvang detentie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij ondanks detentie recht had op bijstand vanwege onvoldoende middelen om vaste lasten te betalen, en dat het College zijn WSW-indicatie erkende. De Raad overwoog dat volgens artikel 13 WWB Pro geen recht op bijstand bestaat tijdens detentie, tenzij zeer dringende redenen aanwezig zijn volgens artikel 16 WWB Pro. De omstandigheden van appellant voldeden niet aan deze criteria.

De Raad stelde vast dat de detentieperiode wordt gefinancierd door het ministerie van Justitie en dat het risico op woningontbinding geen zeer dringende reden vormt. Ook het argument over de WSW-indicatie faalde omdat het bezwaar niet zag op de periode na detentie. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op bijstand tijdens detentie wordt ontzegd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

09/4651 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2009, 08/4856 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 juli 2010. Appellant is niet verschenen en het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 30 januari 2008 heeft appellant bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft vanaf 19 februari 2008 tot 7 maart 2008 in detentie verbleven.
1.2. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het College aan appellant een bijstandsuitkering op grond van de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering wordt appellant over de periode van 1 december 2007 tot 18 februari 2008 verleend. De beëindiging per 18 februari 2008 houdt verband met verblijf van appellant in detentie met ingang van 19 februari 2008.
1.3. Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het College aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat het College eerst dan bevoegd is met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen indien in concreto vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen.
4.3. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in verband met zijn detentie vanaf 19 februari 2008 niet meer in aanmerking kwam voor algemene bijstand. Daarbij merkt de Raad nog op dat de reden van detentie hieraan niet afdoet nu hoe dan ook in de noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant gedurende de periode van detentie wordt voorzien door het ministerie van Justitie.
4.4. Voorts ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. De omstandigheid dat appellant als gevolg van zijn detentie onvoldoende middelen heeft om de vaste lasten, waaronder met name de huur van zijn woning te blijven betalen en daardoor het risico loopt dat de verhuurder de huurovereenkomst laat ontbinden en de woning moet worden ontruimd, kan niet als zodanig worden aangemerkt.
4.5. Appellant heeft nog aangevoerd dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2008 gegrond had moeten verklaren, nu namens het College ter zitting van de rechtbank is meegedeeld dat inmiddels is onderkend dat appellant een WSW-indicatie heeft. In zoverre is volgens appellant aan zijn bezwaar tegemoet gekomen. De Raad volgt appellant hierin niet, reeds omdat het bezwaar van appellant was gericht tegen het feit dat in het besluit van 28 februari 2008 niet tot uitdrukking is gebracht dat hij na zijn detentie zijn werk bij het Werkvoorzieningschap kan hervatten, terwijl dat besluit uitsluitend ziet op de verlening van bijstand over de periode vóór die detentieperiode.
4.6. Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) C. de Blaeij.
AV