ECLI:NL:CRVB:2010:BN6282

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1247 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO-uitkering per 7 mei 2007, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank Utrecht heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit onderschreef.

Appellant stelde dat zijn rugklachten, mogelijk een hernia, en andere fysieke en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, waardoor hij niet in staat zou zijn om gedurende acht uur per dag de geselecteerde functies te vervullen. De Raad overwoog echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen en functionele mogelijkheden van appellant juist waren vastgesteld. De rugklachten leidden niet tot beperkingen volgens de medische rapportage van 2006 en latere informatie bevestigde dit.

De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de Functionele Mogelijkheden Lijst van september 2006. Tevens achtte de Raad de geselecteerde functies medisch geschikt voor appellant. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en de geselecteerde functies geschikt zijn.

Uitspraak

09/1247 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 januari 2009, 08/1045 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Demirtas, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010, waar namens appellant zijn raadsman is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep is gericht tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 25 februari 2008 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Daarbij heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van 7 maart 2007 tot intrekking van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 mei 2007 omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep naar voren gebrachte stellingen herhaald. Appellant blijft - kort samengevat - van mening dat hij meer beperkt is dan aangenomen en dat, in het bijzonder, onvoldoende rekening is gehouden met zijn rugklachten, die, zoals hij heeft aangegeven, kenmerken bezitten van een hernia. Door deze ernstige pijnklachten van de rug, alsmede vanwege de overige bij appellant bestaande fysieke en psychische klachten, is hij niet in staat gedurende 8 uur per dag de voor hem geselecteerde functies te vervullen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, net als de rechtbank, geen redenen te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de bij appellant bestaande medische beperkingen en zijn functionele mogelijkheden ten tijde hier in geding. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en ziet op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant in het kader van een herbeoordeling medisch is onderzocht waarna beperkingen ten aanzien van publieksfuncties, het werken met harsen en ten aanzien van staan en lopen zijn vastgesteld. Ook de rugklachten zijn meegenomen maar hebben blijkens de medische rapportage van de arts R. Ponsioen van 21 september 2006, niet geleid tot beperkingen. Bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn heeft appellant tijdens de hoorzitting van 12 december 2007 gezien en zij heeft, gelet de aangegeven bezwaren, nadien aanvullende informatie bij de huisarts opgevraagd. Uit deze informatie van 20 december 2007 blijkt dat appellant eerst op 24 oktober 2007, zijnde 5 maanden na datum in geding, zijn huisarts heeft geconsulteerd vanwege schouder- en rugklachten, waarbij geen specifieke bevindingen zijn geconstateerd. Na dossierstudie heeft Hagedoorn in haar rapportage van 14 januari 2008 naar het oordeel van de Raad gemotiveerd uiteengezet waarom er geen aanleiding is om forsere beperkingen aan te nemen. Nu appellant in hoger beroep met betrekking tot de datum in geding geen medische gegevens heeft overgelegd die doen twijfelen aan de Functionele Mogelijkheden Lijst van 26 september 2006, is voor de Raad genoegzaam vast komen te staan dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.
(get.) M. Greebe.
(get.) D.E.P.M. Bary.
NK