AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging recht op ziekengeld na herstel en geschiktheid voor passende arbeid
Appellant was bedrijfsleider expeditie en viel uit wegens heupklachten. Na een WAO-uitkering en een ziekmelding in januari 2008 wegens een heupoperatie, heeft een verzekeringsarts op 29 juli 2008 vastgesteld dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies uit de eerdere WAO-beoordeling.
Het UWV beëindigde daarop het recht op ziekengeld per 4 augustus 2008. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen door het UWV en de rechtbank. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant voldoende hersteld was om passende arbeid te verrichten.
De Raad overwoog dat de psychische klachten niet medisch objectief waren onderbouwd en dat de hypertensie goed onder controle was. De informatie van de behandelend sector leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellant is per 4 augustus 2008 terecht beëindigd wegens geschiktheid voor passende arbeid.
Uitspraak
09/2310 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 maart 2009, 08/1870 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2010. Appellant, is met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smid.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als bedrijfsleider expeditie bij een tapijtfabriek toen hij per 2 januari 2003 voor dit werk is uitgevallen met heupklachten. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd die destijds 52 weken bedroeg, heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is na een medische en arbeidskundige herbeoordeling, laatstelijk per 29 juli 2005 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant ontving daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellant zich per 7 januari 2008 ziek gemeld vanwege een heupoperatie. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur bezocht op 29 juli 2008 van de verzekeringsarts A.M. van den Berg-Vos. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant, ondanks de beperkingen aan de rechterheup, met ingang van 4 augustus 2008 geschikt kan worden geacht voor ten minste één van de bij de eerdere WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 29 juli 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 4 augustus 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Bij besluit van 8 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts A. Colijn, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juli 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
3.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.
3.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts appellant op het spreekuur van 29 juli 2008 heeft onderzocht, waarbij zij op de hoogte was van de op 7 januari 2008 uitgevoerde heupoperatie rechts. Op basis van haar bevindingen heeft Van den Berg-Vos geconcludeerd dat appellant voldoende is hersteld en dat sprake is van een behoorlijke heupfunctie. Appellant kan niet hurken en is verder beperkt ten aanzien van heupbelastende taken. Nu in de destijds geduide functies veelal tot maximaal 30 minuten wordt gezeten waarbij kan worden afgewisseld met kortdurend staan of lopen, geen zware lasten hoeven te worden gehanteerd en traplopen zeer beperkt voorkomt, is appellant, gelet op zijn beperkingen, voor deze functies geschikt te achten, aldus de verzekeringsarts.
3.5. De bezwaarverzekeringsarts A. Colijn heeft appellant op het spreekuur van 28 augustus 2008 gezien, dossierstudie verricht, waarbij ook de overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg van 23 juli 2008 bij de beoordeling is meegewogen. Colijn heeft de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven, waarbij hij heeft aangegeven dat uit de informatie van de orthopedisch chirurg blijkt dat de knieklachten geen extra beperkingen geven en dat de eerst in bezwaar vermelde psychische klachten niet met medisch objectiveerbare informatie zijn onderbouwd. Ook de later ingebrachte informatie van de orthopedisch chirurg van 1 september 2008 is door de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld. De orthopedisch chirurg heeft aangegeven dat appellant vanwege de totale heupprothese beperkt moet worden geacht voor langdurig lopen en staan. Nu appellant al bij de eerdere WAO-beoordeling op de aspecten lopen en staan tot respectievelijk 30 en 15 minuten achtereen beperkt werd geacht en deze beperkingen door de verzekeringsarts bij de beoordeling zijn meegenomen, geeft de informatie van de orthopedisch chirurg volgens Colijn geen aanleiding om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken.
3.6. De op 15 juli 2010 bij de Raad ontvangen informatie van de behandelend sector leidt naar het oordeel van de Raad niet tot een andersluidend oordeel. Daartoe overweegt de Raad dat uit de twee behandelingsovereenkomsten van 20 januari 2006 en 21 juli 2009, die zien op de psychische klachten van appellant, blijkt dat hij rond de datum in geding, te weten 4 augustus 2008, niet voor psychische klachten onder behandeling was. De door de huisarts niet goed in te stellen hypertensie is eerst in 2009 ontdekt. De ten tijde van het medisch onderzoek door de verzekeringsarts op 29 juli 2008 bekende hypertensie was, zoals is aangegeven op de medische kaart, middels medicatie goed onder controle.
3.7. Hetgeen onder 3.2 tot en met 3.6 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 4 augustus 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.