ECLI:NL:CRVB:2010:BN6308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld bij geschiktheid voor WIA-functies ondanks therapie
Appellante werkte parttime in de thuiszorg toen zij uitviel wegens oog- en psychische klachten. Na een WIA-beoordeling in 2006 werd zij geschikt geacht voor bepaalde functies, maar bleef ongeschikt voor haar oude werk. Het UWV beëindigde daarom haar recht op ziekengeld per 11 juli 2007.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar therapie niet te combineren was met de WIA-functies. De rechtbank wees het beroep af, waarbij een door de rechter ingeschakelde psychiater concludeerde dat appellante wel geschikt was voor de functies mits therapie kon prevaleren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, benadrukt dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige doorslaggevend is en ziet geen reden om hiervan af te wijken. De Raad acht het aannemelijk dat therapie en parttime werk gecombineerd kunnen worden en wijst het verzoek voor aanvullend deskundigenonderzoek af.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het beroep van appellante af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd.