ECLI:NL:CRVB:2010:BN6329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-7001 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WGA-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig productiemedewerker, ontving sinds 24 april 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 3 september 2007 in omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%, waarbij werd vastgesteld dat appellant geschikt was voor bepaalde functies met beperkingen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV als voldoende achtte. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de beperkingen te laag waren vastgesteld, maar kon geen aanvullende medische gegevens overleggen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 mei 2008 wel degelijk betrekking had op de relevante periode. Ook achtte de Raad de geselecteerde functies medisch geschikt voor appellant. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WGA-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WGA-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid tot minder dan 35%.

Uitspraak

09/7001 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 november 2009, 08/1341 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Namens appellant is verschenen mr. N.C. Quindt, advocaat. Het Uwv is - met bericht vooraf - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, heeft zich ingaande 26 april 2004 vanuit een situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld in verband met buikproblematiek. Het Uwv heeft bij besluit van 9 maart 2007 vastgesteld dat appellant ingaande 24 april 2006 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat het appellant, die kort daarvoor een buikoperatie had ondergaan, aan duurzaam benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid ontbrak.
1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 3 juli 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 2 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit), de aan appellant toegekende WGA-uitkering ingaande 3 september 2007 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 35%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant vanwege buik- en darmklachten beperkt is in zijn belastbaarheid en geschikt is te achten voor arbeid waarbij werkdruk en overmatige fysieke belasting worden vermeden, bij een arbeidspatroon overdag. Appellant wordt ongeschikt geacht voor de maatgevende functie. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting vastgesteld op minder dan 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het medisch onderzoek van het Uwv. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv genoegzaam heeft aangetoond dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv te geringe beperkingen heeft aangenomen. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt. Appellant heeft voorts herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd omdat het Uwv voor zijn oordeelsvorming niet beschikte over het complete medische dossier. Verder heeft appellant aangevoerd dat de aangevallen uitspraak een deugdelijke motivering ontbeert omdat de rechtbank bij de beoordeling van de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is uitgegaan van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 mei 2008, welke - zo stelt appellant - geen betrekking heeft op de datum in geding. Appellant acht de voor hem geselecteerde functies niet geschikt. Tot slot heeft appellant erop gewezen dat de besluitvorming in bezwaar bijna 11 maanden heeft geduurd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad is evenals de rechtbank en op grond van de door haar in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De Raad kan zich niet stellen achter het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek over voldoende medische gegevens beschikte om tot een standpunt te komen over de belastbaarheid van appellant en de bezwaarverzekeringsarts, na raadpleging van de behandelend sector en het verrichten van eigen onderzoek, geen reden heeft gezien af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de in beroep toegezonden medische stukken beoordeeld en gemotiveerd betoogd dat deze geen aanleiding geven om het ingenomen standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellant te herzien. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de vastgestelde beperkingen in de FML van 14 mei 2008. Deze FML, waarin de bezwaarverzekeringsarts na heroverweging de voor appellant geldende beperkingen heeft neergelegd, heeft anders dan appellant stelt wel degelijk betrekking op zijn medische situatie ten tijde in geding. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit dient te worden afgeleid dat hij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige F. Schrijver van 1 juli 2008. De Raad overweegt dat de wijze waarop de bevindingen van het onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige aan appellant zijn doorgegeven niets afdoet aan de juistheid van die bevindingen en de zorgvuldigheid van het onderzoek.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.A. van Amerongen.
EK