AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn door UWV en rechtbank
Betrokkene vordert schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De procedure kende een bestuurlijke fase bij het UWV, een gerechtelijke fase bij de rechtbank en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad constateert dat de redelijke termijn met ruim een jaar en acht maanden is overschreden, waarbij zowel het UWV als de rechtbank aan deze overschrijding hebben bijgedragen. De Raad hanteert een vergoeding van €500 per half jaar overschrijding, wat leidt tot een schadevergoeding van €2.000. Daarnaast wordt €500 toegekend wegens de duur van de schadeprocedure zelf, totaal €2.500.
De Staat had reeds €1.000 toegekend, wat niet te laag is, zodat het resterende bedrag van €1.500 ten laste van het UWV komt. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene van €161. De uitspraak is gedaan door voorzitter H. Bolt op 8 september 2010.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €1.500 schadevergoeding en €161 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
09/2338 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het verzoek om schadevergoeding van:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
met als partijen:
betrokkene
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 maart 2008, 05/594, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.
Bij uitspraak van 6 mei 2009, LJN BI3822, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft mr. E.C. Gijselaar, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Mr. Gijselaar heeft gesteld dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 1.000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald. Bij brief van 3 december 2009 is namens betrokkene meegedeeld, dat het toegezegde bedrag van € 1.000,- is ontvangen en dat het verzoek om veroordeling van de Staat tot betaling van schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn wordt ingetrokken.
Namens het Uwv heeft L. ter Laak een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, daarop schriftelijk gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De uitspraak van de Raad van 6 mei 2009 betrof een procedure tussen betrokkene en het Uwv, die betrekking had op betrokkenes aanspraken op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In deze uitspraak heeft de Raad overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend.
2.1. De Raad stelt voorop dat het in deze procedure alleen nog gaat over het verzoek van betrokkene het Uwv te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2. Namens het Uwv is geconcludeerd dat de redelijke termijn is overschreden zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase en dat in verband met een billijke verdeling aan betrokkene een vergoeding toekomt van € 1.272,72 ten laste van het Uwv.
2.3. Namens betrokkene is naar voren gebracht dat de (duur van de) onderhavige vervolgprocedure in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding.
3.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
3.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009. Daarin heeft de Raad overwogen dat in een procedure in drie instanties in socialezekerheidszaken het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 3.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
3.3. Wat betreft de vraag of een vervolgprocedure als de onderhavige dient te worden meegenomen bij de vaststelling van de schadevergoeding, volstaat de Raad met verwijzing naar zijn oordeel in zijn uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM4034. Dit oordeel houdt – kort gezegd – in dat een schadeprocedure als de onderhavige, waarin uitsluitend de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, niet langer in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft in die uitspraak daarbij aangetekend dat, indien een rechtbank of de Raad in een separate procedure de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, deze procedure niet onnodig lang mag duren.
3.4. Voor de voorliggende zaak leidt dit ertoe dat de hoogte van de schadevergoeding moet worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van de Raad van 6 mei 2009. Tot die datum is vanaf de ontvangst door het Uwv van het – tegen het besluit van 21 juli 2003 ingediende – bezwaarschrift van betrokkene op 14 augustus 2003 vijf jaar en ruim acht maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv één jaar en acht maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 24 mei 2005 tot de uitspraak op 28 maart 2008 twee jaar en ruim tien maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 9 mei 2008 tot de uitspraak van 6 mei 2009 één jaar geduurd. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De Raad concludeert dat de redelijke termijn is overschreden met één jaar en ruim acht maanden en dat de redelijke termijn is geschonden door zowel het Uwv als de rechtbank. Deze overschrijding leidt, bij een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 2.000,-. De Raad ziet aanleiding een bedrag van € 500,- toe te voegen in verband met de duur van deze schadeprocedure. Dit brengt het totale schadebedrag op € 2.500,-. Gezien deze overschrijding van de redelijke termijn is de door de Staat toegekende schadevergoeding van € 1.000,- niet te laag. De resterende € 1.500,- komt derhalve ten laste van het Uwv.
3.5. Het onder 3.1 tot en met 3.4 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene tot een bedrag van € 1.500,-.
4. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 161,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.