ECLI:NL:CRVB:2010:BN6726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6865 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond die het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het UWV had besloten dat appellant per 16 maart 2009 geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

Appellant stelde onder meer dat hij ten onrechte niet zelf door de bezwaarverzekeringsarts was onderzocht en dat zijn functionele beperkingen, met name als functioneel eenarmige, onvoldoende waren meegewogen bij de beoordeling van zijn arbeidsmogelijkheden. Tevens voerde hij aan dat hij de functie van afbiester dekbedden niet kan vervullen vanwege zijn beperkingen.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is verlopen en dat de beperkingen van appellant adequaat zijn meegenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De Raad oordeelt dat er geen toereikende medische gegevens zijn om de beperkingen verder uit te breiden en dat de arbeidsdeskundigen voldoende rekening hebben gehouden met de beperkingen bij de functiebeschrijvingen.

Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

09/6865 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 november 2009, 09/1024 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. A.M. Engelen, advocaat te Boxmeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2010. Namens appellant is verschenen mr. drs. Engelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 15 juni 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit dat er voor appellant per
16 maart 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat appellant minder dan
35% arbeidsongeschikt is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het besluit van 15 juni 2009 deugdelijk is.
3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het besluit van 15 juni 2009 berust op juiste voor hem geldende beperkingen van medische aard. Hij blijft van mening dat de bezwaarverzekeringsarts hem ten onrechte niet zelf heeft onderzocht.
3.2. Voorts acht appellant zich niet in staat de functie van afbiester dekbedden te vervullen, daar hij als functioneel eenarmige de zware en omvangrijke dekbedden niet frequent kan tillen. Van zijn uitvoerige toelichting ter zitting van de rechtbank ziet hij niets terug in de aangevallen uitspraak.
4.1. De Raad komt wat betreft de medische grondslag van het besluit van 15 juni 2009 niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de zorgvuldigheid van het onderzoek door verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, de eigen beleving van appellant over zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken.
4.2. Appellant houdt met nadruk staande dat de beperkingen die hij ondervindt ten aanzien van het gebruik van zijn rechter schouder en –arm zodanig zijn dat hij in feite dient te worden beschouwd als eenarmig.
Voor zover appellant daarmee beoogt aan te geven dat de voor hem ter zake in de Functionele Mogelijkheden Lijst vastgelegde beperkingen ontoereikend zijn, slaagt die grief niet, bij gebreke aan een toereikende steun daarvoor in de beschikbare medische gegevens.
4.3. Ook de grief dat de rechtbank niet is ingegaan op hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de functie van afbiester dekbedden faalt. Het oordeel van de rechtbank ligt immers besloten in de overweging dat de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige bij het duiden van de functies van afbiester dekbedden, monteur en medewerker logistiek voldoende rekening hebben gehouden met de beperkingen van appellant op de aspecten tillen, frequent hanteren van lichte en zware voorwerpen en boven schouderhoogte actief zijn. Ook de Raad is van oordeel dat hiermede voldoende rekening is gehouden.
4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M.R. van der Vos.
TM