ECLI:NL:CRVB:2010:BN6729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant viel in december 2006 uit wegens rug- en schouderklachten en onderging in 2007 een schouderoperatie. Verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek concludeerde dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel in staat is om andere minder belastende functies te vervullen, waardoor hij niet als arbeidsongeschikt wordt beschouwd voor de Wet WIA.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling en de belasting van de functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld en dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, met name vanwege pijnklachten en bewegingsbeperkingen van handen en armen.
De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts de klachten en beperkingen heeft meegewogen en dat er geen relevante aspecten over het hoofd zijn gezien. Ook de aanvullende medische informatie ondersteunde niet de stelling van appellant dat hij ernstiger beperkt is. De drie resterende functies zijn volgens de arbeidsdeskundige passend en haalbaar voor appellant.
Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de resterende functies haalbaar zijn.