ECLI:NL:CRVB:2010:BN6729

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-645 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant viel in december 2006 uit wegens rug- en schouderklachten en onderging in 2007 een schouderoperatie. Verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek concludeerde dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel in staat is om andere minder belastende functies te vervullen, waardoor hij niet als arbeidsongeschikt wordt beschouwd voor de Wet WIA.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling en de belasting van de functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld en dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, met name vanwege pijnklachten en bewegingsbeperkingen van handen en armen.

De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts de klachten en beperkingen heeft meegewogen en dat er geen relevante aspecten over het hoofd zijn gezien. Ook de aanvullende medische informatie ondersteunde niet de stelling van appellant dat hij ernstiger beperkt is. De drie resterende functies zijn volgens de arbeidsdeskundige passend en haalbaar voor appellant.

Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de resterende functies haalbaar zijn.

Uitspraak

10/645 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009, 09/3364 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.A. van Walree-Brascamp, advocaat te Voorburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
In reactie op een telefonisch verzoek van de zijde van de Raad heeft het Uwv bij schrijven van 25 juni 2010 nadere informatie verstrekt.
Het Uwv heeft bij monde van zijn bezwaarverzekeringsarts bij rapport, gedateerd 28 februari 2009 (lees: 20 juli 2010) gereageerd op namens appellant ingezonden informatie van zijn behandelend fysiotherapeut en revalidatiearts.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. Van Walree-Brascamp, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is in december 2006 wegens rugklachten en klachten van de linker schouder uitgevallen voor zijn werkzaamheden als straatmaker. In 2007 is hij aan de linker schouder geopereerd.
1.2. Er heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Hierbij is vastgesteld dat appellant, gelet op de ten aanzien van hem in aanmerking te nemen beperkingen en de aan de eigen functie verbonden belastende aspecten, weliswaar niet langer geschikt is te achten voor het eigen werk maar nog wel in staat is diverse andere - fysiek minder belastende - functies te vervullen, waarmee hij een zodanig inkomen kan verwerven dat hij voor de toepassing van de Wet WIA niet in relevante mate arbeidsongeschikt is te achten.
1.3. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 oktober 2008 aan appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van
17 december 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), daar hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.4. Bij besluit van 2 april 2009, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van
15 oktober 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de medische besluitvorming door de verzekeringsartsen. Tevens heeft de rechtbank vastgesteld dat de belasting van de geduide functies binnen de voor appellant opgestelde functionele mogelijkhedenlijst past.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn eigen opvatting staande gehouden dat hij meer beperkingen ondervindt. Het onderzoek door de verzekeringsarts is volgens appellant onvoldoende zorgvuldig geweest. Onvoldoende is erkend dat zijn medische situatie geen enkele verbetering laat zien en dat hij - integendeel - naast de pijnklachten van beide schouders ook rugklachten heeft gekregen. Appellant betwist dat hij met de daaruit voortvloeiende beperkingen in staat is tot het vervullen van de geduide functies. Daarbij zou het in het bijzonder gaan om de in die functies vereiste bewegingen van handen en armen.
4.1. Het hoger beroep treft geen doel.
4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in reactie op ingebrachte informatie van de fysiotherapeut van appellant heeft aangegeven dat bij het vaststellen van de beperkingen is onderkend en meegewogen dat appellant - in verband met zijn schouderproblematiek - pijnklachten heeft en dat de actieve abductie is beperkt.
4.3. Appellant is, ook in hoger beroep, niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat er relevante aspecten betreffende zijn gezondheidssituatie bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek over het hoofd zijn gezien.
4.4. Voorts overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 20 juli 2010 heeft gereageerd op de namens appellant ingebrachte brief van de revalidatiearts H.J. Arwert van 27 januari 2010. Arwert heeft, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, bij zijn onderzoek een normale krachtontwikkeling bij volledige passieve beweeglijkheid gevonden en concludeert dat de chronische pijnklachten een multifactoriele achtergrond hebben waarbij gedragsmatige behandeling mogelijk baat zou hebben. Lichte werkzaamheden zou appellant volgens Arwert moeten kunnen verrichten. Naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts laat de aangeleverde informatie zien dat de onderzoeksbevindingen meer belasting toe zouden moeten toelaten dan appellant aangeeft. De geduide beperkingen worden dan ook nog steeds van toepassing geacht. De Raad heeft geen aanknopingspunten om deze zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen.
4.5. Nu ook overigens niet is kunnen blijken van objectief-medische gegevens die appellant steunen in de eigen opvatting dat hij wat betreft schouders, rug of anderszins, ernstiger beperkt is dan is aangenomen, concludeert de Raad dat er geen aanleiding bestaat om de medische grondslag van het bestreden besluit niet voor juist te houden.
4.6. Ten slotte is de Raad tevens met de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de drie functies die als arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit resteren nadat de bezwaararbeidsdeskundige twee functies heeft laten vervallen in verband met een te grote belasting op het aspect frequent reiken, voor appellant haalbaar moeten worden geacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in overleg met de bezwaarverzekeringsarts expliciet bezien of de drie resterende functies, in het bijzonder ook op die belastingaspecten waarbij de handen en de armen moeten worden gebruikt, voor appellant passend zijn te achten. De Raad is van oordeel dat in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit van 31 maart 2009 afdoende is gemotiveerd dat de betreffende resterende functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen.
4.7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.A. van Amerongen.
NW