[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2009, 09/2127 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2010
Namens appellante stelde mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, hoger beroep in.
Het Uwv voerde verweer en zond een nader stuk in.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 6 augustus 2010. Mr. Haze vertegenwoordigde appellante en namens het Uwv verscheen M.K. Dekker.
1.1. Appellante ontving een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met zijn besluit van 2 oktober 2008 beëindigde het Uwv deze uitkering per 3 december 2008.
1.2. Op het bezwaar van appellante besliste het Uwv met zijn besluit van 19 mei 2009 en veranderde de beëindigingsdatum in 28 mei 2009.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
3.1. De Raad gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten.
3.2. Appellante werkte laatstelijk als schoonmaakster in deeltijd. In augustus 1997 meldde zij zich ziek vanwege rug- en schouderklachten (rechts). Het Uwv kende haar met ingang van 24 augustus 1998 een WAO-uitkering toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3.3. De verzekeringsarts onderzocht appellante op zijn spreekuur van 18 september 2008. Hij observeert dat appellante gemakkelijk een zware handtas met haar rechterarm tilt, ook bij het gebruik van het schoudergewricht. De kracht van de armen is in tact en hij ziet geen afname van de spiermassa. De bewegingen van de wervelkolom verlopen soepel in alle richtingen. De lange rugspieren zijn enigszins gespannen. De benen vertonen geen duidelijke spataderen. Hoewel appellante zegt van iedere belasting van de rechterarm klachten te ondervinden, kan zij wel haar handtas ogenschijnlijk zonder moeite optillen en volgde zij in het voorjaar van 2008 zwemlessen. Er gelden zodoende beperkingen voor zwaar en frequent zwaar tillen met de rechterarm en beperkingen voor frequent buigen en zwaar tillen. De door de behandelend orthopeed vastgestelde impingement-klachten voor de supraspinatuspees betekenen dat appellante bovenhands werken moet vermijden. De bezwaarverzekeringsarts beschikte over aanvullende informatie van de appellante behandelende psycholoog en vond daarin aanleiding om in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ook beperkingen op te nemen voor persoonlijk en sociaal functioneren.
3.4. Aan de hand van die (aangepaste) FML raadpleegde de bezwaararbeidsdeskundige het Claimbeoordelings- en borgingssysteem opnieuw en hij selecteerde vijf functies, die voor appellante geschikt zouden zijn. Het loon in die functies overtreft het geïndexeerde loon dat appellante als schoonmaakster verdiende.
4. In hoger beroep herhaalt appellante dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Verder voert zij andermaal aan dat de functie wikkelaar te zware eisen stelt wat betreft reiken.
5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante overgelegde, in hoger beroep niet aangevulde, medische stukken onvoldoende zijn om te twijfelen aan de juistheid van het, gemotiveerde, oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.
5.2. De (bezwaar)arbeidsdeskundige lichtte de geschiktheid van de functies, ook op het aspect reiken, naar het oordeel van de Raad voldoende toe.
6. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2010.