ECLI:NL:CRVB:2010:BN7971

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3133 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, tweede lid, WWBWet werk en bijstand
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet nakomen medewerkingsverplichting bij huisbezoek

Appellant ontving van 1996 tot 2006 bijstand en was daarna gedetineerd. Na zijn detentie diende hij meerdere aanvragen voor bijstand in, die werden afgewezen. Op 28 september 2007 vroeg appellant opnieuw bijstand aan en gaf als woonadres het adres van zijn broer op. Een huisbezoek gepland op 25 oktober 2007 ging niet door omdat appellant niet aanwezig wilde zijn.

Het College wees de aanvraag af op grond van het niet nakomen van de medewerkingsverplichting zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, WWB. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Raad stelde vast dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek en dat onder de medewerkingsverplichting ook de aanwezigheid van appellant bij het huisbezoek valt. Omdat appellant niet aanwezig was en geen gegronde redenen had om afwezig te zijn, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad verwierp ook het verweer dat sprake was van een onvolledige heroverweging in bezwaar en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en deed uitspraak in het openbaar op 7 september 2010.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd wegens het niet nakomen van de medewerkingsverplichting door afwezigheid bij het huisbezoek.

Uitspraak

08/3133 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2008, 08/782 en 08/783 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 7 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 juli 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft van 1 september 1996 tot 12 juni 2006 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Van 12 juni 2006 tot 9 december 2006 is appellant gedetineerd geweest. Op 29 januari 2007 en op 29 mei 2007 heeft appellant aanvragen om bijstand ingediend. Die aanvragen zijn afgewezen. Appellant heeft tegen de afwijzende besluiten geen rechtsmiddel ingesteld. Op 28 september 2007 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij woonachtig was bij zijn broer op het adres [adres] te [plaatsnaam]. Een gepland huisbezoek op 25 oktober 2007 heeft geen doorgang gevonden omdat appellant tevoren heeft laten weten dat hij niet daarbij aanwezig wilde zijn.
1.2. Bij besluit van 31 oktober 2007 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen.
1.3. Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College het standpunt ingenomen dat appellant de in artikel 17, tweede lid, van de WWB neergelegde medewerkingsverplichting niet is nagekomen en dat daardoor het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 15 februari 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt met de voorzieningenrechter van de rechtbank eerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er in het geval van appellant een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek.
4.2. Met de voorzieningenrechter van de rechtbank en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat onder de medewerkingsverplichting ook is begrepen de aanwezigheid van de betrokkene bij het huisbezoek. Niet ten onrechte heeft het College zich op het standpunt gesteld dat, wil er sprake zijn van een volledig en zorgvuldig onderzoek in een woning in het kader van een huisbezoek, niet kan worden volstaan met uitsluitend de waarnemingen van de onderzoekers, maar ook een actieve rol is weggelegd voor de betrokkene zelf. Zo dient de betrokkene voorafgaande aan of tijdens het huisbezoek desgevraagd een beschrijving te geven van de inhoud van bijvoorbeeld een kamer, een kast of een kastlade. Evenzeer dient de betrokkene aanwezig te zijn teneinde vragen te beantwoorden en opheldering te verschaffen omtrent de waarnemingen en bevindingen van de onderzoekers. Nu ook naar het oordeel van de Raad niet is gebleken dat er voor appellant gegronde redenen waren om niet aanwezig te zijn bij het geplande huisbezoek, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht het oordeel van het College onderschreven dat appellant de medewerkingsverplichting niet is nagekomen, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre appellant met ingang van 28 september 2007 recht had op bijstand.
4.3. Appellant heeft in het hoger beroepschrift nog aangevoerd dat er, in strijd met de goede procesorde, sprake is van een onvolledige heroverweging in bezwaar en dat die beroepsgrond door de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing is gelaten op de grond dat deze te laat was aangevoerd. De Raad stelt vast dat deze beroepsgrond in hoger beroep wel tijdig naar voren is gebracht, maar niet nader is toegelicht. Nu de Raad ook overigens niet van een onvolledige heroverweging is gebleken, kan deze grond niet slagen.
4.4. Het hoger beroep treft dus geen doel. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2010.
(get.) R. Kooper.
(get.) J. de Jong.
HD