ECLI:NL:CRVB:2010:BN8044

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1013 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.T. Berkel-Kikkert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 3:9 AwbArt. 7:12 AwbArt. 3:49 AwbArt. 40 Wmo
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verhuiskostenvergoeding bevestigd, afwijzing vervoersvoorziening vernietigd

Appellante, geboren in 1935, heeft meerdere keren een financiële tegemoetkoming aangevraagd voor vervoers- en verhuiskosten op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Eerdere aanvragen werden afgewezen en deze besluiten werden door rechtbank en Raad bevestigd. In 2006 diende zij opnieuw een aanvraag in voor een vergoeding van verhuiskosten en vervoersvoorziening.

De Raad oordeelt dat de ouderdomsgebreken en eerdere ongeval geen nieuwe feiten zijn en dat de hematologische aandoening die in 2006 werd geconstateerd niet relevant is voor de verhuizing in 2005. Daarom is de afwijzing van de verhuiskostenvergoeding terecht bevestigd.

Ten aanzien van de vervoersvoorziening stelt de Raad vast dat het medisch advies waarop het College zich baseerde onvoldoende gemotiveerd is en niet berust op recente informatie van de behandelende sector. Hierdoor voldoet het besluit niet aan de vereisten van zorgvuldigheid en motivering volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad vernietigt daarom dit deel van het besluit en verwijst het terug naar het College voor een nieuwe beslissing.

Tot slot veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Afwijzing verhuiskostenvergoeding bevestigd, afwijzing vervoersvoorziening vernietigd en terugverwezen voor nieuw besluit.

Uitspraak

09/1013 WVG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 januari 2009, 08/11 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schröder en haar zoon [naam zoon]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1935, heeft op 10 december 2003 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een voorziening aangevraagd in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. Bij besluit van 28 januari 2004 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante blijkens een medisch advies gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Bij besluit van 21 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2004 ongegrond verklaard. In haar uitspraak van 13 juli 2005, 04/2840, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 september 2004 ongegrond verklaard. De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 januari 2008, 05/5175, de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.2. Op 17 maart 2005 heeft appellante wederom verzocht om een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. Bij besluit van 3 augustus 2005 is deze aanvraag afgewezen.
1.3. Appellante is op 4 februari 2005 verhuisd. Op 3 maart 2005 heeft appellante in het kader van de Wvg verzocht om een financiële tegemoetkoming in haar verhuiskosten. Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet gebleken is van objectief aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek die een verhuizing noodzakelijk maakten.
1.4. Bij besluit van 4 november 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 3 en 9 augustus 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. In haar uitspraak van 14 juni 2006, 05/3653, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 november 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.5. Appellante heeft op 5 december 2006 bij het College opnieuw een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding en een vervoersvoorziening. Deze verhuiskostenvergoeding is aangevraagd voor de verhuizing in februari 2005. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen op de grond dat medisch gezien niet is gebleken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.
1.6. Bij besluit van 26 november 2007 heeft het College het besluit van 16 mei 2007 onder aanpassing van de motivering gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 november 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Toepasselijk recht
4.1.1. Artikel 40 van Pro de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), voor zover hier van belang, luidt:
“1. De Wet voorzieningen gehandicapten wordt ingetrokken, met dien verstande dat:
(…)
d. zij van toepassing blijft ten aanzien van een aanvraag om een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5 van Pro deze wet, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet. (…)”
4.1.2. Artikel 42 van Pro de Wmo luidt:
“Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.”
4.1.3. De Raad stelt vast dat de raad van de gemeente Utrecht de in artikel 5 van Pro de Wmo bedoelde Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2007 heeft vastgesteld in zijn vergadering van 7 december 2006. Hij stelt verder vast dat de in geding zijnde aanvraag van appellante om een woon- en een vervoersvoorziening is ingediend op 5 december 2006. Dit betekent, dat, gelet op de hiervoor vermelde bepalingen van overgangsrecht, de bepalingen van de Wvg op die aanvraag van toepassing zijn gebleven (zie CRvB 9 december 2009, LJN BK6964).
Verhuiskostenvergoeding
4.2.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.2.2. Bij besluit van 9 augustus 2005, dat is gehandhaafd in het besluit op bezwaar van 4 november 2005, heeft het College afwijzend beslist op een aanvraag van appellante om een vergoeding in de kosten van verhuizing en (her)inrichting in verband met haar verhuizing van haar woning aan [adres 1] naar een woning aan [adres 2]. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 5 december 2006 heeft appellante een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd dat gebleken is dat zij een hematologische aandoening heeft, dat zij lijdt aan ouderdomsgebreken en dat zij in 2000 betrokken is geweest bij een ongeval.
4.2.3. De Raad is van oordeel dat de gestelde ouderdomsgebreken en het ongeval geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Bij de eerdere aanvraag en in de daarop betrekking hebbende procedure is ook al gesteld dat appellante lijdt aan ouderdomsgebreken en uit het RIO-rapport van december 2003 blijkt reeds dat de medisch adviseur bekend is met een status na polsfractuur, die in 2000 ten gevolge van een auto-ongeval is ontstaan.
4.2.4. De hematologische aandoening van appellante is in het najaar van 2006 in Marokko geconstateerd en was niet bekend ten tijde van het besluit op de eerdere aanvraag van maart 2005. De GG & GD-arts E.C. Cleton-van den Dikkenberg is er in haar advies van 27 februari 2007 op grond van de onderzoeksgegevens van de aan het Utrechts Medisch Centrum verbonden geriater dr. Samson van uitgegaan dat deze ziekte recent is ontstaan en zich in 2004 en 2005 nog niet voordeed. Nu appellante geen gegevens in geding heeft gebracht, waaruit blijkt dat deze conclusie van de arts niet juist is, houdt de Raad het ervoor dat dit nieuwe feit niet van belang is voor de beoordeling van de aanvraag om een vergoeding van de kosten van de verhuizing die in februari 2005 heeft plaatsgevonden. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen. In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Vervoersvoorziening
4.3.1. Niet gebleken is dat appellante heeft verzocht om een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer met terugwerkende kracht tot de datum van de afwijzing van de eerdere aanvraag van maart 2005. Mede gelet op hetgeen van de zijde van appellante in de bezwaarprocedure naar voren is gebracht, waarbij is gewezen op de leeftijd van appellante (72 jaar) en de - ten opzichte van maart 2005 - toegenomen ouderdomsklachten, gaat de Raad ervan uit dat verzocht is om een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer vanaf de datum van de aanvraag, 5 december 2006. Ter zitting van de Raad heeft mr. Schröder bevestigd dat de aanvraag van appellante van 5 december 2006 uitsluitend ziet op de periode vanaf de datum van de aanvraag.
4.3.2. Het College heeft de aanvraag om een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer bij het bestreden besluit met analoge toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb afgewezen. Ter zitting van de Raad is namens het College uitgelegd dat daarvoor ook is beoordeeld of appellante op een latere datum dan ten tijde van de afwijzing van de eerdere aanvraag van maart 2005 aangewezen was op een vervoersvoorziening. In dit verband is betoogd dat specifiek medisch onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de hematologische aandoening van appellante voor haar vervoersmogelijkheden en dat de conclusie van de GG & GD-arts is gebaseerd op dossierstudie en informatie van de behandelde sector.
4.3.3. Artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb luidt:
“De beslissing op het bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.”
4.3.4. Artikel 3:49 van Pro de Awb luidt:
“Ter motivering van een besluit of onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.”
4.3.5. Artikel 3:9 van Pro de Awb luidt:
“Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.”
4.3.6. In dit samenstel van bepalingen ligt besloten dat een besluit dat berust op het advies van een medisch adviseur, zodanig inzichtelijk gemotiveerd dient te zijn dat de belanghebbende zich daartegen gericht teweer kan stellen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 25 juli 2007, LJN BB0694. Dit betekent dat duidelijk moet zijn op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen.
4.3.7. Het besluit van 26 november 2007 berust op het advies van 27 februari 2007 van de GG & GD-arts E.C. Cleton van den Dikkenberg. In dit advies wordt met name ingegaan op de gevolgen van de hematologische aandoening waaraan appellante lijdt. Aan het slot van het advies wordt vermeld dat de verdere medische situatie hetzelfde is gebleven. Niet duidelijk is waarop deze conclusie is gebaseerd. Uit het mailbericht van 27 februari 2007 van deze arts aan een medewerker juridische zaken blijkt dat zij appellante op haar spreekuur heeft gezien - hetgeen overigens van de zijde van appellante wordt ontkend -, maar een weergave van anamnese of onderzoek ontbreekt in het advies van 27 februari 2007. In dat mailbericht is voorts vermeld dat is afgezien van het opvragen van informatie bij de huisarts. De Raad stelt op grond hiervan vast dat de GG & GD-arts niet beschikte over recente informatie van de behandelende sector over de ‘verdere’ gezondheidstoestand van appellante. Dit betekent dat het advies, waarop het besluit van 26 november 2007 is gebaseerd, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zodat dit besluit, voor zover dit betrekking heeft op de vervoersvoorziening, in strijd is met de artikelen 3:9 en 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb. De rechtbank heeft het beroep, voor zover dit betrekking heeft op de vervoersvoorziening, ten onrechte ongegrond verklaard, zodat deze in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Het College dient een nieuw besluit op het bezwaar tegen de afwijzing van de door appellante gevraagde vervoersvoorziening te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Slotopmerking
5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft de afwijzing van de verhuiskostenvergoeding;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft de afwijzing van de vervoersvoorziening en verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt het besluit van 26 november 2007 met betrekking tot de afwijzing van de vervoersvoorziening;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) J. Waasdorp.
HD