ECLI:NL:CRVB:2010:BN8649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens ontbreken woonplaats
Appellant ontving sinds 1985 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Na twijfel over de rechtmatigheid van de bijstand stelde een fraudepreventieambtenaar en later de Sociale Recherche Fryslân onderzoek in. Op basis van deze onderzoeken blokkeerde het College de bijstandsuitkering per 1 april 2007 en trok deze per 1 juli 1997 in, met terugvordering van kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel woonde in de gemeente en dat de intrekking onterecht was. De Raad oordeelde dat appellant zijn hoofdverblijf had bij een derde in een andere gemeente en dus geen woonplaats meer had in de gemeente Smallingerland vanaf 1 januari 2005. Dit werd onderbouwd met verklaringen en observaties, die niet onder druk waren afgelegd.
De Raad stelde vast dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het College niet te informeren over zijn werkelijke woonplaats, waardoor de bijstand ten onrechte werd verleend. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat appellant opnieuw bijstand kan aanvragen zodra hij woonplaats heeft in de gemeente. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand aan appellant wegens het ontbreken van woonplaats in de gemeente Smallingerland worden bevestigd.