ECLI:NL:CRVB:2010:BN9376

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1561 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering per 29 juli 2006 wegens onvoldoende bewijs toename arbeidsongeschiktheid

Appellant, wonende te een woonplaats, had een WAO-uitkering toegekend gekregen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling in 2006 werd de uitkering herzien naar 80% of meer arbeidsongeschiktheid per 29 juli 2006. Appellant betwistte deze ingangsdatum en stelde dat zijn beperkingen al vanaf 4 juli 2003 waren toegenomen.

De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat appellant vanaf 2003 onafgebroken volledig arbeidsongeschikt was. De medische rapportages, waaronder die van bezwaarverzekeringsarts Van Duijn en psychiater Rambharos, ondersteunden een verslechtering vanaf medio 2006. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische stukken overgelegd die een eerdere toename aantonen.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen en vond de motivering van de rechtbank voldoende. Er is ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering per 29 juli 2006 wegens onvoldoende bewijs van eerdere toename van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/1561 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2010, 09/3605 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2010. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan appellant is laatstelijk een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In 2006 is hij in het kader van een herbeoordeling onderzocht door de arts R. Ponsioen. Deze heeft informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater alsook de huisarts en heeft appellant laten onderzoeken door psychiater W. Dominicus.
2.1. In verband met het kabinetsbesluit van 29 augustus 2007 - de hersteloperatie voor degenen die tussen 1 juli 1954 en 1 juli 1959 zijn geboren - is appellant in 2007 opnieuw beoordeeld met toepassing van het oude Schattingsbesluit. De conclusies van dit onderzoek, onder andere dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, zijn vastgelegd in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 2 juni 2008.
Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het Uwv appellants uitkering per 2 juni 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
2.2. Vanwege het bezwaar van appellant tegen de ingangsdatum van de verhoging van de uitkering heeft bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn informatie ingewonnen bij de huisarts en heeft psychiater J. Groenendijk appellant op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts op 5 maart 2009 onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts is op basis van dit onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden en heeft de functionele mogelijkheden en belastbaarheid voor arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 april 2009.
Na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) is een arbeidsdeskundige gebleken dat er onvoldoende functies te duiden zijn.
Het Uwv heeft bij besluit van 21 april 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juni 2008 ongegrond verklaard.
3.1. Nadat appellant beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 21 april 2009 heeft het Uwv bij besluit van 5 augustus 2009 het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Met verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Duijn van 17 juli 2009 heeft het Uwv in plaats van per 2 juni 2008, de uitkering per 29 juli 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
3.2. De rechtbank heeft ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellant mede gericht geacht tegen het besluit van 5 augustus 2009. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant sedert 2003 onafgebroken volledig arbeidsongeschikt is geweest. Bezwaarverzekeringsarts Van Duijn heeft in zijn rapportage van 17 juli 2009 overwogen dat sedert de periode 2003-2004 het toestandsbeeld van appellant zodanig is genormaliseerd, dat de behandeling bij Psycho - Medisch Centrum Parnassia door psychiater P.R. Rambharos per 1 april 2005 kon worden beëindigd. De rechtbank acht geen aanknopingspunten in het dossier aanwezig om het standpunt van Van Duijn, die 1 juli 2006 als begindatum heeft vastgesteld voor de verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant, voor onjuist te houden.
4. Appellant kan zich niet verenigen met deze uitspraak. Volgens hem is er sprake van een toename van zijn klachten en beperkingen per 4 juli 2003. Appellant verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen.
5.1. Het hoger beroep treft geen doel.
5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden die in beroep zijn ingediend afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Appellant heeft noch in beroep noch in hoger beroep medische stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een toename van medisch objectiveerbare beperkingen voor arbeid vóór 1 juli 2006. Volgens de brief van 8 april 2005 van de destijds behandelend psychiater Rambharos was appellant van 4 juli 2003 tot 1 april 2005 onder poliklinische behandeling en waren zijn depressieve klachten het (toen) afgelopen jaar redelijk stabiel. De gestelde ziekenhuisopnames in de periode daarvoor zijn niet met medische stukken onderbouwd. Ook heeft appellant zich vóór 1 juli 2006 niet toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv.
5.3. De Raad ziet gelet op de medische gegevens in het dossier geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
5.4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2010.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.A. van Amerongen.
NW