Art. 44 WAOArt. 18, vijfde lid, WAOArt. 36, eerste lid, WAO
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging toepassing anticumulatie WAO-uitkering bij inkomsten uit arbeid met terugwerkende kracht
Appellant ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, maar werkte sinds 1988 als zelfstandig marktkoopman. Het UWV paste artikel 44 WAOPro toe en herzag de uitkering over 1998-2000 vanwege inkomsten uit arbeid, met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de toepassing van anticumulatie ook met terugwerkende kracht mogelijk is, mede omdat appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat zijn inkomsten invloed hadden op de uitkering. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het UWV een bestendige gedragslijn hanteert die consistent is toegepast.
De Raad overweegt dat artikel 44 WAOPro en artikel 36 WAOPro niet in strijd zijn met rechtszekerheid bij terugwerkende toepassing, mits consistent en zorgvuldig toegepast. Appellant had voldoende kennis van de mogelijke gevolgen van zijn inkomsten op de uitkering, mede door eerdere kortingen en verzoeken om inkomensgegevens.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht artikel 44 WAO toepast met terugwerkende kracht voor anticumulatie van WAO-uitkering bij inkomsten uit arbeid.
Uitspraak
09/6089 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2009, 09/1979 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Bödicker, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft bij brief van 6 mei 2010, met bijlagen, door de Raad gestelde vragen beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellant is in verband met zijn ziekmelding in 1986 uit zijn werk als administratief technisch medewerker bij Gasbedrijf Bussum een invaliditeitspensioen door het (toenmalige) Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds toegekend. In het kader van de per 1 januari 1996 op appellant van toepassing geworden Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is hem per deze datum een uitkering krachtens deze wet toegekend en betaalbaar gesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Sinds oktober 1988 is appellant gaan werken als (zelfstandig) marktkoopman in groenten en fruit. In verband daarmee is, op grond van een rapport van 25 februari 1999, bij besluit van 6 oktober 1996 de WAO- uitkering van appellant over het jaar 1996 betaald naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Op grond van een rapport van 11 maart 2002 en een arbeidskundig advies van 26 april 2006 is bij besluit van 18 mei 2006, de WAO-uitkering van appellant vanwege zijn inkomsten uit arbeid, met toepassing van artikel 44 vanPro die wet, uitbetaald als ware de mate van zijn arbeidsongeschiktheid over verschillende tijdvakken in de periode van 1 januari 1998 “tot heden” 45 tot 55% of minder.
1.3. Bij besluit van 29 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 mei 2006 gegrond verklaard en vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellant over de jaren 1998, 1999 en 2000 in verband met inkomsten uit arbeid met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. In het bestreden besluit is voorts bepaald dat appellant per 1 januari 2001 definitief in deze arbeidsongeschiktheidsklasse wordt ingedeeld. Aan het bestreden besluit ligt een advies van bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman van 24 augustus 2006 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen:
- dat het Uwv over de jaren 1998, 1999 en 2000 terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 44 vanPro de WAO. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen, dat toepassing van de anticumulatiebepalingen in beginsel rechtens niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden, maar dat appellant redelijkerwijs heeft kunnen weten dat zijn inkomsten uit arbeid over deze jaren van invloed waren of konden zijn op de hoogte van zijn WAO-uitkering. Zulks omdat over het jaar 1996 al een korting op diens uitkering had plaatsgevonden in verband met inkomsten als zelfstandige en appellant in verband hiermee had kunnen begrijpen dat (de hoogte van) de desbetreffende inkomsten ook in de periode 1998 tot en met 2000 daartoe aanleiding zouden kunnen geven – waarbij mede een rol speelt dat deze inkomsten niet in zeer relevante mate afweken van die uit 1996;
- dat appellant aansluitend per 1 januari 2001, nu drie jaar achtereen toepassing was gegeven aan artikel 44, eerste lid van de WAO, terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidklasse van 65 tot 80% en dat een verzekeringsgeneeskundig, onderzoek hiertoe niet nodig was. Er bestaat, zo heeft de rechtbank nog opgemerkt geen wettelijke belemmering om bij besluiten als deze verder in tijd terug te gaan dan vijf jaar.
De rechtbank heeft er tevens op gewezen, dat de (hernieuwde) vaststelling van appellants WAO-uitkering over de jaren 2003 tot en met 2006 (waarom appellant in bezwaar had verzocht) geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit en hierdoor buiten de omvang van het geding valt. Zulks geldt eveneens voor de opmerkingen van appellant met betrekking tot de terugvordering.
3. In hoger beroep tegen deze uitspraak heeft appellant aangevoerd:
- dat hij redelijkerwijs niet heeft kunnen weten dat zijn inkomsten over 1998, 1999 en 2000 van invloed waren op de hoogte van zijn WAO-uitkering, temeer nu hij altijd zijn inkomsten correct heeft gemeld en het tot 2006 heeft geduurd voordat het Uwv actie heeft ondernomen; het zo lang wachten met het nemen van een besluit terzake moet voor risico van het Uwv komen; meer in het algemeen acht hij het onaanvaardbaar dat het Uwv in 2006, dus na 6 tot 8 jaar, nog tot toepassing van artikel 44 vanPro de WAO (in combinatie met artikel 36 vanPro die wet) is overgegaan;
- dat de arbeidsongeschiktheidsklasse per 1 januari 2001 niet definitief, zonder meer op 65 tot 80% had mogen worden vastgesteld.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO houdt, voor zover hier van belang in dat, indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt ingetrokken of herzien, doch die uitkering, wordt uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn. Artikel 44, tweede lid, van de WAO, bepaalt dat de toepassing van het bepaalde in het eerste lid ten hoogste plaatsvindt over een aaneengesloten periode van drie jaar. De laatste volzin van het tweede lid bepaalt, kort gezegd, dat na afloop van het in de eerste zin bedoelde tijdvak de desbetreffende arbeid wordt aangemerkt als arbeid bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO.
4.2. De Raad stelt voorop dat appellant niet heeft bestreden dat zijn inkomsten als marktkoopman als inkomsten uit arbeid als bedoeld in het onder 4.1 (deels) aangehaalde wetsartikel moeten worden aangemerkt en dat de hoogte van die inkomsten tussen partijen niet in geschil is.
4.3. Met betrekking tot de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO, overweegt de Raad als volgt. In zijn uitspraak van 5 november 2008, LJN BG3717, heeft de Raad overwogen dat, indien het Uwv vaststelt dat aan de in artikel 44, eerste lid, van de WAO gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv gehouden is over te gaan tot anticumulatie. De bewoordingen, noch het doel en de strekking van dit artikel staan er voorts naar het oordeel van de Raad aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast. Dit laat evenwel onverlet dat de toepassing van artikel 44 vanPro de WAO onder omstandigheden in strijd kan komen met het beginsel van rechtszekerheid, dan wel een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. In dit verband acht de Raad het van belang dat het Uwv heeft aangegeven bij de toepassing van artikel 44 vanPro de WAO (bij wege van analogie) een bestendige gedragslijn te hanteren die erop neerkomt dat de instructies worden gevolgd die ter uitvoering van de “Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000” (Stcrt. 2000, 89, hierna de Regeling) zijn opgesteld. Deze bestendige gedragslijn heeft de Raad in die uitspraak op één lijn gesteld met buitenwettelijk begunstigend beleid. Daaraan heeft de Raad de consequentie verbonden dat dit beleid door hem als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het op consistente wijze is toegepast.
4.4. De Raad is van oordeel dat de in de Regeling opgenomen gedragslijn – met name voor zover hierbij een rol speelt of en in hoeverre het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn inkomsten uit arbeid voor anticumulatie in aanmerking konden komen – in het onderhavige geval op consequente wijze is toegepast.
In het kader hiervan wijst de Raad er, met de rechtbank, op dat appellant gelet op de reeds over 1996 toegepaste korting en het gegeven dat zijn inkomsten over de hier in geding zijnde jaren niet in relevante mate afweken van die uit genoemd jaar, met de toepassing van artikel 44 vanPro de WAO rekening had kunnen houden. Tevens merkt de Raad in dit verband op, dat het Uwv in een brief aan appellant van 25 februari 2002 appellant heeft verzocht om zijn inkomensgegevens over de jaren 1998 tot (of tot en met) 2001 zulks teneinde te beoordelen of deze van invloed zijn op (de hoogte van) zijn uitkering; zoal niet daarvoor, dan kon appellant in elk geval nadien op de toepassing van artikel 44 vanPro de WAO bedacht zijn.
4.5. Met betrekking tot de toepassing van artikel 44, eerste lid, laatste volzin, van de WAO in combinatie met artikel 36, eerste lid van die wet merkt de Raad, in de lijn van zijn uitspraak van 16 juli 2010, LJN BN2197, op dat bij de toetsing van het bestreden besluit voorop moet worden gesteld dat – ook – de toepassing van artikel 36, eerste lid, van de WAO voor het Uwv de gehoudenheid meebrengt om in een situatie als deze tot intrekking van de uitkering over te gaan. De bewoordingen, noch het doel en de strekking van laatstgenoemde bepaling staan eraan in de weg dat dit met terugwerkende kracht geschiedt. Dit laat evenwel onverlet dat de toepassing van genoemd artikel onder omstandigheden in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid kan komen dan wel enige andere ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.
4.6. De Raad is naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd niet gebleken dat van een dergelijke strijdigheid bij de onderhavige toepassing van artikel 36 vanPro de WAO sprake is. Verwezen zij naar het geen hiervoor, onder 4.4 met betrekking tot de toepassing van artikel 44 vanPro de WAO is overwogen. Al eerder heeft de Raad overwogen dat het enkele talmen met het nemen van een besluit ter zake nog geen strijd met de rechtszekerheid oplevert.
4.7. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2010.