ECLI:NL:CRVB:2010:BN9407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en onjuiste woonsituatie
Appellant ontving vanaf 15 augustus 2005 bijstand op grond van de WWB en gaf aan te wonen bij zijn zuster op een adres in de gemeente. Gemeentelijke gegevens toonden echter aan dat ook een broer op dat adres stond ingeschreven. Onderzoek in het kader van het project Controle op Maat leidde tot huisbezoeken en gesprekken, waarbij appellant niet altijd meewerkte. Het College concludeerde dat appellant vanaf 17 januari 2008 niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en trok de bijstand met ingang van die datum in.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde de periode van 17 januari tot en met 8 februari 2008 en oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat appellant niet in de gemeente verbleef, maar wel dat appellant onjuiste of onvolledige informatie had verstrekt over zijn feitelijke woonadres.
De Raad hechtte daarbij belang aan verklaringen van appellant zelf, het huisbezoek, en verklaringen van zijn zuster en ex-vriendin, die wezen op een zwervend bestaan en inconsistenties in de woonplaats. De Raad concludeerde dat appellant tekort was geschoten in zijn inlichtingenverplichting, waardoor het College terecht overging tot intrekking van de bijstand voor de genoemde periode.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting en onjuiste woongegevens wordt bevestigd.