ECLI:NL:CRVB:2010:BN9407

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4630 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 40 WWBArt. 54 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en onjuiste woonsituatie

Appellant ontving vanaf 15 augustus 2005 bijstand op grond van de WWB en gaf aan te wonen bij zijn zuster op een adres in de gemeente. Gemeentelijke gegevens toonden echter aan dat ook een broer op dat adres stond ingeschreven. Onderzoek in het kader van het project Controle op Maat leidde tot huisbezoeken en gesprekken, waarbij appellant niet altijd meewerkte. Het College concludeerde dat appellant vanaf 17 januari 2008 niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en trok de bijstand met ingang van die datum in.

De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde de periode van 17 januari tot en met 8 februari 2008 en oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat appellant niet in de gemeente verbleef, maar wel dat appellant onjuiste of onvolledige informatie had verstrekt over zijn feitelijke woonadres.

De Raad hechtte daarbij belang aan verklaringen van appellant zelf, het huisbezoek, en verklaringen van zijn zuster en ex-vriendin, die wezen op een zwervend bestaan en inconsistenties in de woonplaats. De Raad concludeerde dat appellant tekort was geschoten in zijn inlichtingenverplichting, waardoor het College terecht overging tot intrekking van de bijstand voor de genoemde periode.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting en onjuiste woongegevens wordt bevestigd.

Uitspraak

08/4630 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2008, 08/2235 + 08/2239 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 28 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C. de Klerk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Klerk en [naam zuster], een zuster van appellant. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft vanaf 15 augustus 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. Bij zijn aanvraag heeft appellant destijds opgegeven dat hij inwoonde bij zijn zuster [naam zuster] met haar kind, op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Op dat adres stonden volgens de gemeentelijke basisadministratie niet alleen [naam zuster], haar kind en appellant ingeschreven, maar ook een broer van appellant, [naam broer].
1.3. In het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van uitkeringsgerechtigden die volgens eigen opgave inwonend zijn op kamers of bij derden - het project Controle op Maat - is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dit verband is tweemaal een poging gedaan een huisbezoek af te leggen op het adres [adres 1] te [naam gemeente], namelijk op 9 januari 2008 en op 15 januari 2008. Beide keren is er op herhaaldelijk aanbellen niet gereageerd. Vervolgens is appellant opgeroepen voor een gesprek op 17 januari 2008, aan welke oproep appellant zonder bericht van verhindering niet heeft voldaan. Daarop is bij besluit van 21 januari 2008 het recht op bijstand van appellant met ingang van 17 januari 2008 opgeschort, waarna appellant is opgeroepen voor een gesprek op 23 januari 2008, met medeneming van de in dat besluit genoemde gegevens. Aan die oproep heeft appellant wel voldaan. Appellant heeft toen een verklaring afgelegd ten overstaan van een handhavingsspecialist. Op 24 januari 2008 heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Van de bevindingen van dat onderzoek is een verslag gemaakt. Voorts hebben de onderzoekers op 31 januari 2008 een telefoongesprek gevoerd met de toenmalige vriendin van appellant, [ex-vriendin]. Daarvan is eveneens een verslag gemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek, welke zijn vervat in het Rapport van bevindingen Kamerbewoning van 31 januari 2008, is het College tot de conclusie gekomen dat appellant vanaf 17 januari 2008 zijn hoofdverblijf niet had op het door hem opgegeven adres en dat ook niet zeker is of appellant in de gemeente [naam gemeente] woonachtig was.
1.4. Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het College de aan appellant verleende bijstand met ingang van 17 januari 2008 ingetrokken.
1.5. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2008 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 16 mei 2008 heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting, dat zijn feitelijke woonsituatie niet overeenkwam met de door hem opgegeven omstandigheden en dat als gevolg van een en ander het recht op bijstand niet was vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 mei 2008 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 17 januari 2008 tot en met 8 februari 2008.
4.2. Naar aanleiding van de verwijzing in het besluit van 16 mei 2008 naar artikel 40 van Pro de WWB overweegt de Raad dat de onderzoeksbevindingen, bezien in samenhang met de overige gedingstukken, geen toereikende grondslag bieden om aan te nemen dat appellant in genoemde periode zijn hoofdverblijf niet had in de gemeente [naam gemeente]. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat appellant in de hier van belang zijnde periode buiten de gemeente [naam gemeente] verbleef. In een zodanige situatie is er volgens vaste rechtspraak van de Raad ook geen grond om toepassing te geven aan artikel 40 van Pro de WWB.
4.3. De Raad begrijpt het besluit van 16 mei 2008 aldus dat aan de intrekking van de bijstand met ingang van 17 januari 2008 ten grondslag is gelegd dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College de intrekking van de bijstand op deze grond heeft kunnen baseren omdat op basis van de onderzoeksbevindingen aannemelijk is dat appellant in de hier van belang zijnde periode niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van zijn zuster op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. In dit verband hecht de Raad vooral belang aan de verklaring die appellant op 23 januari 2008 heeft afgelegd en waarvan hij het verslag heeft ondertekend, de bevindingen van het huisbezoek op 24 januari 2008 en hetgeen appellant toen desgevraagd nog nader heeft toegelicht en het verslag inzake de telefonische mededelingen van [ex-vriendin]. Appellant heeft op 23 januari 2008 verklaard dat hij twee tot drie keer per week bij zijn zuster sliep op de bank in de woonkamer, dat zijn broer [naam broer] daar niet woonde en dat hij de rest van de week bij zijn vriendin [ex-vriendin] sliep. Appellant heeft toen echter ook verklaard dat hij eigenlijk een zwervend bestaan leidt, dat hij soms bij zijn zuster slaapt, soms bij vrienden, soms bij zijn oma en vaak bij zijn vriendin. [naam zuster] heeft ter zitting van de Raad verklaard dat appellant wel bij haar en haar kind woonde en dat appellant sliep op een matras op de grond in de woonkamer. Er waren echter vaak spanningen tussen hen, mede omdat er geregeld schuldeisers voor appellant aan de deur kwamen en dan ging appellant weer een aantal dagen weg, aldus [naam zuster]. [ex-vriendin] heeft verklaard zeker te weten dat appellant bij zijn moeder woonde aan het IJplein 287 te [naam gemeente] en dat zij ook in die woning is geweest toen zijn moeder met vakantie was. Voorts heeft zij verklaard dat appellant alleen in de weekenden bij haar logeerde.
4.4. In de tweekamer woning van [naam zuster] is bij het huisbezoek weinig herenkleding aangetroffen. [ex-vriendin] heeft verklaard dat zij gezien heeft dat in de woning van de moeder van appellant kleding van appellant in de was lag. Bij het huisbezoek op
24 januari 2008 zijn voorts geen persoonlijke zaken van appellant en geen administratie aangetroffen. Volgens appellant lag zijn administratie bij zijn moeder. Later heeft appellant verklaard dat een deel van zijn administratie zich wel in de woning van zijn zuster bevond en dat een ander deel van de administratie, namelijk de bankafschriften, in de woning van zijn moeder lag.
4.5. De Raad acht de verklaringen die appellant in de loop van tijd heeft afgelegd over zijn woon- en leefsituatie niet consistent. De Raad kan ook geen betekenis toekennen aan de door appellant in geding gebrachte, summiere schriftelijke verklaringen van [naam zuster], E. Margoum, de moeder van appellant, en [ex-vriendin], reeds omdat uit die verklaringen niet blijkt op welke periode deze betrekking hebben.
4.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellant onjuiste, dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woon- en leefsituatie en met name zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De Raad wijst er op dat de woon- en leefsituatie en met name ook het woonadres van een betrokkene van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en de omvang ervan. Indien hieromtrent door de betrokkene onjuiste gegevens worden verstrekt dan wel geen duidelijkheid wordt verschaft, kan niet worden vastgesteld of en in hoeverre een betrokkene in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Die situatie doet zich naar het oordeel van de Raad voor ten aanzien van appellant in de hier ter beoordeling liggende periode van 17 januari 2008 tot en met 8 februari 2008. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over die periode. Omtrent de wijze waarop het College van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat de Raad hier verder niet op hoeft in te gaan.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) J. de Jong.
HD