ECLI:NL:CRVB:2010:BN9416

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-432 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde werkzaamheden

Appellant ontving sinds 16 januari 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek van de Sociale Recherche bleek dat appellant werkzaamheden verrichtte in het garagebedrijf van zijn broer zonder dit te melden, waardoor het College het recht op bijstand met ingang van 9 oktober 2006 introk.

Het College nam een besluit op 4 juli 2007 tot intrekking van de bijstand en een besluit op 29 oktober 2007 waarin deze intrekking werd herhaald en terugvordering van bijstandskosten werd aangekondigd. Appellant maakte geen bezwaar tegen het eerste besluit, waardoor dit onherroepelijk werd. Het bezwaar tegen het tweede besluit werd ten onrechte ontvankelijk verklaard.

De Raad vernietigde het besluit op bezwaar voor zover het de intrekking betrof en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De terugvordering van bijstandskosten over de periode van 9 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007 werd bevestigd omdat appellant hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden had aangevoerd. Het College werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard, de terugvordering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

09/432 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 december 2008, 08/356 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Twenterand (hierna: College)
Datum uitspraak: 28 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Appellant is verschenen met bijstand van mr. De Widt. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Duuren, werkzaam bij de gemeente Twenterand.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sedert 16 januari 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een bestandsvergelijking, waaruit naar voren kwam dat appellant bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven als eigenaar van een eenmanszaak, heeft de Sociale Recherche Twente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek zijn onder meer neergelegd in een rapport van 21 mei 2007. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft het College zich op het standpunt gesteld dat appellant gedurende de periode van 9 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007 werkzaamheden heeft verricht in het garagebedrijf van zijn broer, dat appellant hiervan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt, dat appellant geen administratie van gewerkte uren en daaruit verkregen inkomsten heeft bijgehouden en dat, als gevolg van een en ander, zijn recht op bijstand niet meer is vast te stellen.
1.2. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het College de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 9 oktober 2006 beëindigd (lees: ingetrokken).
1.3. Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het College appellant meegedeeld dat is besloten zijn recht op bijstand met ingang van 9 oktober 2006 te herzien en in te trekken en dat de kosten van bijstand over de periode van 9 oktober 2006 tot en met
31 maart 2007 tot een bedrag van € 5.934,64 (bruto) van appellant worden teruggevorderd.
1.4. Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 oktober 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw aangevoerd - kort samengevat - dat hij bij het afleggen van zijn verklaringen omtrent de werkzaamheden door de Sociale Recherche is misleid, dat in werkelijkheid slechts sprake is geweest van koffie- en theezetten en wat spullen opruimen, dat familiebezoek en een praatje maken geen op geld waardeerbare activiteiten zijn, en dat in ieder geval de ingangsdatum van de intrekking onjuist is vastgesteld omdat de garage van zijn broer pas op 1 januari 2007 is gestart.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In geschil zijn de intrekking van de bijstand per 9 oktober 2006 en de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 9 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007.
4.2. De Raad stelt ambtshalve vast dat over de intrekking van de bijstand per 9 oktober 2006 reeds was beslist bij het onder 1.2 genoemde besluit van 4 juli 2007. Tegen dit besluit - dat van een juiste rechtsmiddelenclausule was voorzien - heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. De vermelding in het besluit van 29 oktober 2007 dat is besloten de bijstand van appellant met ingang van 9 oktober 2006 te herzien en in te trekken, is dan ook niet méér dan een herhaling van het besluit van 4 juli 2007 en roept geen rechtsgevolgen in het leven die niet reeds door laatstgenoemd besluit tot stand waren gebracht. In zoverre behelst het besluit van 29 oktober 2007 dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft het College het bezwaar van appellant ten onrechte ontvankelijk geacht.
4.3. Het besluit op bezwaar van 26 februari 2008 komt op dit punt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het besluit in stand is gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bezwaar van appellant, voor zover tegen de intrekking van bijstand gericht, alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
4.4. Met betrekking tot de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. In zoverre kan het hoger beroep dan ook niet slagen en zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad acht termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van bijstand;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 februari 2008 gegrond en vernietigt dit besluit in zoverre;
Verklaart het bezwaar tegen de intrekking van bijstand niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant: in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan appellant en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) J. de Jong.
RB