[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 september 2008, 07/1181 (hierna: aangevallen uitspraak),
het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Walcheren (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 28 september 2010
Namens appellant heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wouters. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hofman, werkzaam bij de Sociale Dienst Walcheren.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB). In het kader van een re-integratietraject is appellant vanaf 2004 20 uur per week als taxichauffeur gaan werken bij Taxicentrale Renesse (TCR). Incidenteel verrichtte hij ook andere werkzaamheden, maar aanvullend bleef appellant bijstand ontvangen. Aan appellant is met ingang van 1 mei 2006 een maatregel opgelegd omdat hij geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid tot urenuitbreiding bij TCR, zodat volgens het dagelijks bestuur sprake was van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Tegen die maatregel, bestaande in een verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand, heeft appellant geen bezwaar aangetekend. Bij besluit van 27 maart 2007 is aan appellant met ingang van 1 april 2007 andermaal een maatregel opgelegd, welke in verband met recidive is vastgesteld op een verlaging van 100% van de bijstand gedurende twee maanden. Tegen dat besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.
1.2. Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2007 gegrond verklaard, het besluit van 12 oktober 2007 om formele redenen vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De aan appellant opgelegde maatregel is hierop gebaseerd dat appellant verweten wordt dat hij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid heeft verkregen. Volgens het dagelijks bestuur heeft appellant namelijk geen gebruik gemaakt van de hem voorgehouden mogelijkheid om het aantal gewerkte uren bij TCR als taxichauffeur
(20 per week) zodanig uit te breiden dat hij niet meer aangewezen zou zijn op bijstand. Vastgesteld is dat het hier gaat om een gedraging van de 3e categorie ingevolge de van toepassing zijnde Afstemmingsverordening WWB en dat de wegens recidive verzwaarde maatregel, een verlaging van 100% gedurende twee maanden, hiermee in overeenstemming is.
4.2. De Raad is uit de beschikbare gegevens niet gebleken om welke vacatures bij welke werkgever(s) het gaat, met ingang van welke datum appellant zijn werkzaamheden had kunnen uitbreiden en of er sprake was van concrete aanbiedingen. Appellant heeft gesteld dat hij door medewerkers van het Centrum Werk en Inkomen (CWI) wel is gewezen op de mogelijkheid van urenuitbreiding, maar dat hem geen concrete vacatures zijn voorgehouden. Vanwege het dagelijks bestuur is gewezen op de notitie van 1 maart 2007 van M. v.d. Bovenkamp, medewerker van het CWI, inzake een gesprek met appellant op 8 februari 2007. Daarin is vastgelegd dat appellant onvoldoende gemotiveerd was om zijn werkzaamheden als taxichauffeur uit te breiden, dat appellant een voorkeur had voor werk in de commerciële sector en dat om die reden aan appellant geen vacatures zijn meegegeven. Met betrekking tot de vraag of appellant ook vacatures zijn voorgehouden en concrete aanbiedingen zijn gedaan heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur ter zitting van de Raad desgevraagd gewezen op de mededelingen van een andere medewerker van het CWI, Van Beek. Volgens deze zou sprake zijn geweest van vier vacatures voor werk als taxichauffeur van meer dan 20 uur per week, zowel bij TCR als bij andere werkgevers en zou appellant onmiddellijk met die werkzaamheden hebben kunnen beginnen. De Raad stelt echter vast dat zich onder de gedingstukken geen rapport bevindt waarin de genoemde mededelingen van Van Beek zijn vastgelegd.
4.3. Het dagelijks bestuur heeft zich niettemin op het standpunt gesteld dat appellant concrete vacatures zijn voorgehouden om zijn uren als taxichauffeur met onmiddellijke ingang zodanig uit te breiden dat appellant niet meer op bijstand zou zijn aangewezen indien hij daarop positief had gereageerd. Naar het oordeel van de Raad berust dit standpunt op onvoldoende feitelijke grondslag en is het besluit van het dagelijks bestuur derhalve in strijd met het in acht te nemen motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen bepaalt de Raad dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank reeds vernietigde besluit van 12 oktober 2007 niet in stand kunnen blijven en dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.
5. De Raad ziet aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
De Centrale Raad van Beroep;
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;
Bepaalt dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 107,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.