ECLI:NL:CRVB:2010:BN9571

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3442 WWB-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 EVRMArt. 11 lid 2 WWBArt. 11 lid 3 WWBArt. 13 ESH
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij bijstandsweigering op grond van koppelingswetgeving

Verzoeker had een aanvraag om bijstand ingediend die door het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef en niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlander volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Het bezwaar van verzoeker werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde deze beslissing. Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij tot de kwetsbare personen behoorde die bescherming genieten onder artikel 8 EVRM Pro en beriep zich op internationale verdragen zoals het Europees Sociaal Handvest (ESH) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR).

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang had, maar dat de Raad niet bevoegd was om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen vanwege de meervoudige kamer van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de koppelingswetgeving, die rechten aan vreemdelingen koppelt aan rechtmatig verblijf, verenigbaar is met non-discriminatiebepalingen en dat de genoemde internationale verdragen geen afdwingbare aanspraak op bijstand geven.

Verder werd geoordeeld dat ook indien verzoeker tot kwetsbare personen wordt gerekend, dit geen grond is om artikel 16 lid 2 WWB Pro buiten toepassing te laten. Het beroep op artikel 3 EVRM Pro werd verworpen omdat de afwijzing van bijstand geen onmenselijke behandeling inhoudt. De Raad achtte het niet waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zou worden vernietigd en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van bijstand wordt afgewezen.

Uitspraak

10/3442 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2010, 09/2944 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 28 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.C. Rop, advocaat te ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het College de aanvraag van verzoeker van 13 februari 2009 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen. Het besluit berust op de overweging dat verzoeker niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB, en dat verzoeker evenmin met een Nederlander kan worden gelijkgesteld als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WWB. Voorts stelt het College dat gelet op het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB geen uitzondering kan worden gemaakt op grond van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.
1.2. Bij besluit van 17 juli 2009 is het bezwaar van verzoeker gericht tegen het besluit van 23 maart 2009 ongegrond verklaard. Het College heeft hier - kort samengevat - aan toegevoegd dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Wat betreft het beroep op diverse bepalingen inzake het Europees Sociaal Handvest (ESH) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) verwijst het College naar vaste rechtspraak van de Raad op grond waarvan deze bepalingen aangemerkt worden als algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen. Tot slot stelt het College zich op het standpunt dat het weigeren van bijstand niet in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker gericht tegen het besluit van 17 juli 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het College terecht het standpunt heeft ingenomen dat niet gebleken is dat verzoeker alle wegen heeft bewandeld om zijn terugkeer naar het land van herkomst mogelijk te maken. Voorts oordeelt de rechtbank dat het beroep van verzoeker op artikel 8 van Pro het EVRM niet slaagt omdat onvoldoende is gebleken dat verzoeker ten tijde hier in geding behoort tot de categorie van kwetsbare personen die ingevolge artikel 8 van Pro het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Verzoeker voert aan dat hij wel behoort tot de categorie van kwetsbare personen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Raad van 19 april 2010, LJN BM0956, betreffende een eerdere procedure tussen verzoeker en het College inzake de toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarin de Raad geoordeeld heeft dat verzoeker ten tijde daar in geding geacht werd te behoren tot de categorie van kwetsbare personen. Voorts beroept verzoeker zich op artikel 13 van Pro het ESH en artikelen 11 en 13 van het IVESCR.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangevallen uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank zodat de voorzieningenrechter ingevolge artikel 21 eerste Pro lid, tweede volzin, van de Beroepswet niet de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb toekomt om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
4.4. Bij de beoordeling of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de bijstandsaanvraag tot en met de datum van het primaire besluit van het College. Dit brengt mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 13 februari 2009 tot en met 23 maart 2009.
4.6. Vaststaat dat verzoeker ten tijde hier in geding op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verbleef.
4.7. Niet in geding is dat verzoeker geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. De Raad heeft reeds in vele uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 26 juni 2001, LJN AB2276, geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van Pro het EVRM, artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid.
4.8. Wat betreft het beroep van verzoeker op artikel 13 van Pro het ESH en artikelen 11 en 13 van het IVESCR overweegt de voorzieningenrechter dat de Raad in eerdere uitspraken, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2004, LJN AP4680, heeft geoordeeld dat deze bepalingen niet eenieder kunnen verbinden in de zin van artikel 94 van Pro de Grondwet. Naar het oordeel van de Raad is in genoemde verdragsartikelen sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen.
4.9. Inzake het beroep van verzoeker op artikel 8 van Pro het EVRM verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Raad van 19 april 2010, LJN BM1992. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat - ook - indien een betrokkene geacht wordt te behoren tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van Pro het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven, hij geen aanleiding ziet artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 van Pro het EVRM buiten toepassing te laten. Dit heeft tot gevolg dat, zo verzoeker ten tijde hier in geding al geacht moet worden te behoren tot de categorie van kwetsbare personen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, hierin evenmin een grond voor bijstandverlening is gelegen.
4.10. Verzoeker heeft ter zitting nog betoogd dat het niet verlenen van bijstand in zijn geval leidt tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Op grond van artikel 3 van Pro het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke behandelingen of bestraffingen. De voorzieningenrechter ziet niet in hoe de in dit geding aan de orde zijnde afwijzing van de aanvraag om bijstand een schending kan opleveren in vorenbedoelde zin.
4.11. Gelet op vorenstaande acht de voorzieningenrechter het dan ook niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.
5. De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) C. de Blaeij.
RB