ECLI:NL:CRVB:2010:BN9650

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2712 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • J. Riphagen
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde ziekengelduitkering ondanks beroep op beleidsregels

Appellante ontving sinds 13 september 2005 een ziekengelduitkering die werd verminderd vanwege een verhoging van haar WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vorderde vervolgens een bedrag van €1.651,55 terug als onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (het Besluit) terugvordering niet toestonden omdat zij niet wist dat zij teveel ontving.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde vast dat het Besluit alleen ziet op schorsing, opschorting, intrekking en herziening van uitkeringen, en niet op terugvordering. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin eenzelfde standpunt werd ingenomen over de toepasselijkheid van soortgelijke beleidsregels.

De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van het oordeel dat het Uwv terecht tot terugvordering is overgegaan en wees het beroep van appellante af. Tevens werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 oktober 2010.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering en wijst het beroep af.

Uitspraak

09/2712 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 april 2009, 08/2224 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan appellante is bij besluit van 24 november 2006 meegedeeld dat de ziekengelduitkering, die zij sinds 13 september 2005 ten bedrage van € 26,83 per dag ontving, werd verminderd met een bedrag van € 19,43, zijnde het bedrag waarmee haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 13 september 2005 werd verhoogd, zodat aan haar met ingang van 13 september 2005 nog € 7,40 bruto per dag aan ziekengeld werd uitbetaald.
2. Bij besluit van 4 december 2007 heeft het Uwv een bedrag van € 1.651,55 aan onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering van appellante teruggevorderd.
3. Het namens appellante tegen het besluit van 4 december 2007 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2008 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft, vaststellend dat voormeld besluit van 24 november 2006 in rechte vaststaat, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De stelling van appellante dat het Uwv gelet op de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Besluit van het Uwv van
17 oktober 2006, Stcrt. van 24 november 2006, nr. 230, hierna ook te noemen: het Besluit) niet tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering mocht overgaan, omdat zij redelijkerwijs niet kon weten dat zij teveel ontving, heeft de rechtbank verworpen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het onderhavige geval uitsluitend sprake is van een beslissing tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering en dat voormelde beleidsregels daarop geen betrekking hebben.
5. In hoger beroep heeft appellante haar in eerste aanleg aangevoerde grond herhaald dat het bepaalde in artikel 4 van Pro voormelde beleidsregels zich tegen de terugvordering verzet.
6.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
6.2. Zoals uit het opschrift en de artikelen van het Besluit blijkt is dit slechts van toepassing op schorsing, opschorting, intrekking en herziening van uitkeringen. Het enkele feit dat in artikel 4 van Pro het Besluit een passage voorkomt waarin wordt gesproken over terugvordering, kan hieraan niet afdoen. Zoals het Uwv bij verweerschrift heeft aangevoerd, heeft de Raad in een uitspraak van 22 april 2009 (LJN BI2923) in gelijke zin beslist met betrekking tot het in dat geding nog van toepassing zijnde Besluit herziening en intrekking uitkeringen (Besluit van 4 december 1997, Stcrt 1997, nr. 245). De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd geen reden om met betrekking tot het Besluit tot een ander oordeel te komen.
6.3. Uit hetgeen hiervoor onder 6.1 en 6.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad ziet geen gronden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
NK