Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging herziening WAO-uitkering op juiste medische en arbeidskundige grondslag
Appellant heeft tegen het besluit van het UWV bezwaar gemaakt waarin zijn WAO-uitkering werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Hij stelde dat zijn medische beperkingen, waaronder ernstige slaapproblemen, onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet in staat was de voorgestelde functies te vervullen.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige, psychiater G.T. Gerssen, die na uitgebreid onderzoek concludeerde dat appellant in staat was om 40 uur per week gangbare arbeid te verrichten en de beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) passend waren. De rechtbank volgde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad oordeelde dat het deskundigenonderzoek zorgvuldig en overtuigend was gemotiveerd en dat de aanvullende medische stukken van appellant onvoldoende aanleiding gaven om van het deskundigenoordeel af te wijken.
De Raad wees ook het rapport van de psychiater van appellant af, omdat de onafhankelijke deskundige deze diagnose reeds had meegewogen en geen aanleiding zag tot zwaardere beperkingen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitspraak
10/1843 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 februari 2010, 07/3001 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. B. Mor-Yazir.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij fax-bericht van 27 augustus 2010 heeft appellant nadere medische stukken overgelegd waarop door de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 3 september 2010 is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 8 september 2010, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Mor-Yazir en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Florijn.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 18 december 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant die was uitgevallen in verband met psychische klachten, ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 19 februari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan dit besluit ligt de overweging ten grondslag dat appellant om medische redenen weliswaar zijn eigen werk niet meer kan doen, maar dat hij met gangbare arbeid volgens het Uwv ongeveer 85% van zijn loon als full-time spuitgieter kan verdienen.
2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank aanleiding gezien dr. G.T. Gerssen, psychiater te Scherpenzeel, als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op
11 september 2008 en in aanvulling hierop op 29 oktober 2009 van zijn bevindingen verslag gedaan. De deskundige is - samengevat - tot de conclusie gekomen dat hij kan instemmen met de in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 september 2007 voor appellant per 19 februari 2007 vastgestelde beperkingen. Daarnaast is de deskundige van mening dat appellant op de datum in geding in staat was om 8 uur per dag en 40 uur per week te werken. Gelet op de conclusie van de deskundige is de rechtbank van oordeel dat de belastbaarheid van appellant bij het nemen van het bestreden besluit niet is overschat. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij, zoals dat in vaste jurisprudentie besloten ligt, in beginsel het oordeel van een onafhankelijk door haar ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel gerechtvaardigd is. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant, mede gelet op de in de arbeidskundige rapportages van 1 november 2006 en 20 november 2007 door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gegeven toelichting op de in de functie-belasting voorkomende signaleringen, in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen.
4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende waarde is toegekend aan de medische verklaringen van zijn psychiater F. Kaya en psycholoog M. Hoen-Titiz die hij in de loop van de procedure bij de rechtbank heeft overgelegd. Appellant is van mening dat hij, vanwege ernstige slaapproblemen en de daaruit voortvloeiende beperkte energie, in aanmerking moet worden gebracht voor een urenbeperking. Appellant is daarnaast nog van mening dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing van hetgeen hij heeft aangevoerd, heeft appellant een rapport van zijn psychiater F. Kaya van 13 april 2010 overgelegd.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen die de rechtbank tot het oordeel hebben gebracht dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag is gebaseerd. Ook de Raad is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval af te wijken van het oordeel van de deskundige Gerssen.
5.2. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de deskundige een zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, waarbij hij appellant zelf heeft onderzocht en kennis heeft genomen van alle overige zich onder de gedingstukken omtrent appellant bevindende medische rapporten en gegevens. Verder zijn de conclusies waartoe de deskundige is gekomen op inzichtelijke en overtuigende wijze, aan de hand van relevante onderzoeksbevindingen gemotiveerd. Tot slot overweegt de Raad dat de deskundige kennis heeft genomen van de in beroep overgelegde brief van 29 september 2008 van de behandelend psychiater Kaya en psycholoog Hoen-Titiz en, zo blijkt uit zijn brief van 23 december 2008, na serieuze heroverweging zijn eerder ingenomen standpunt ten aanzien van appellants medische situatie en de door hem vastgestelde beperkingen heeft gehandhaafd.
5.3. Aan het in hoger beroep door appellant overgelegde rapport van psychiater Kaya van 13 april 2010 kan de Raad niet die waarde toekennen die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Hiertoe overweegt de Raad dat, in het kader van de heroverweging van zijn aan de rechtbank uitgebrachte advies, psychiater Gerssen kennis heeft genomen van de door de behandelend sector in het rapport van 13 april 2010 gestelde diagnose depressieve stoornis en hij hier, gemotiveerd, destijds geen aanleiding in heeft gezien zwaardere beperkingen aan te nemen dan die in de FML van 21 september 2007 reeds zijn opgenomen. Ten aanzien van de eveneens in dit rapport opgenomen diagnose Posttraumatische stress-stoornis (PTSS) verwijst de Raad naar de reactie van 3 september 2010 van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel, waarmee hij zich kan verenigen.
5.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.
6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dien te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. P. M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.