[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 januari 2010, 09/2073 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 oktober 2010
Namens appellant heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.
1.1. Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft het Uwv aan appellant, geboren [in] 1967, een uitkering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierbij heeft het Uwv overwogen dat op de dag van de 18e verjaardag van appellant hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Omdat in de WAJONG is bepaald dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraag, wordt de uitkering echter toegekend per 7 augustus 2007. Van bijzondere omstandigheden om de uitkering eerder te laten ingaan is niet gebleken, nu de reden voor de te late aanvraag gelegen is in de onbekendheid met de regeling.
1.2. Bij besluit van 16 april 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2008 ongegrond verklaard.
2.1. In beroep, evenals in bezwaar, heeft appellant benadrukt dat hij altijd door officiële instanties is begeleid, die hem nooit op de mogelijkheid van het aanvragen van een WAJONG-uitkering hebben gewezen. Hij heeft vanaf zijn 18e levensjaar een bijstandsuitkering genoten van de gemeente Nijmegen, welke hem evenmin op de mogelijkheid van het aanvragen van een WAJONG-uitkering heeft gewezen.
2.2. De rechtbank is, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, tot het oordeel gekomen dat onbekendheid met de regeling geen bijzonder geval oplevert. Daarnaast is van belang dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een bijzonder geval, in de situatie dat de belangen van een - meerderjarige - belanghebbende bevoegdelijk worden behartigd door een derde, de omstandigheden van die derde worden meegenomen. Dit betekent dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat er geen sprake was van een bijzonder geval, nu de pleegvader van appellant een uitkering voor hem had kunnen aanvragen.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten herhaald.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de WAJONG kan de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
4.2. Van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de WAJONG is onder meer sprake, indien een betrokkene ter zake van een te late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de periode voor en na de meerderjarigheid van een belanghebbende. Ten tijde van zijn 17e verjaardag was, naar de Raad aanneemt, zijn pleegvader bevoegd de belangen van appellant te behartigen. Maar vanaf zijn meerderjarigheid behartigde appellant, juridisch gezien, zijn eigen belangen.
4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, in de periode dat appellant nog minderjarig was, het in redelijkheid van de pleegvader van appellant gevraagd had kunnen worden de aanvraag om een WAJONG-uitkering te bevorderen. Voor de periode vanaf de meerderjarigheid van appellant kan, naar het oordeel van de Raad, niet gezegd worden dat appellant niet, eventueel met bijstand van zijn sociaal netwerk, zelf een aanvraag had kunnen (laten) doen. De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken in voldoende mate blijkt dat de late aanvraag met name is veroorzaakt door het feit noch appellant, noch zijn pleegvader, op de hoogte was van de mogelijkheid daartoe. Naar vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 9 juni 2010, LJN BM7218, levert onbekendheid met de regelgeving geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de WAJONG.
4.4. De vraag of de gemeente Nijmegen appellant (of zijn pleegvader) had moeten wijzen op de mogelijkheid een WAJONG-uitkering aan te vragen is in dit verband niet relevant, nu het in eerste instantie aan appellant zelf is zich op de hoogte te (laten) stellen van zijn mogelijkheden op een uitkering.
4.5. Gezien de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen.
5. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.
(get.) T.J. van der Torn.