ECLI:NL:CRVB:2010:BO0013

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1779 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid en medische beoordeling

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Breda, waarin de weigering van een WIA-uitkering werd bevestigd. Appellante, die in oktober 2005 uitviel voor haar werkzaamheden als inpakster vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten, had in 2007 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was, wat leidde tot de afwijzing van haar aanvraag. Appellante was het niet eens met deze beslissing en stelde dat haar medische beperkingen ernstiger waren dan door het Uwv was vastgesteld.

De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak op 8 oktober 2010 behandeld. Tijdens de zitting was appellante aanwezig, bijgestaan door haar advocaat, en het Uwv was vertegenwoordigd door J.B. Snoek. De Raad overwoog dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling door het Uwv zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad concludeerde dat de medische beperkingen van appellante correct waren vastgesteld en dat de functies die aan haar waren toegewezen passend waren. De Raad wees erop dat de WSW-indicatie, die appellante na de datum in geding had gekregen, geen doorslaggevende betekenis had voor de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid op de relevante datum.

Uiteindelijk bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante niet in haar hoger beroep kon worden ontvangen. De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling, en de uitspraak werd openbaar uitgesproken op 8 oktober 2010.

Uitspraak

09/1779 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 februari 2009, 08/1325 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 14 mei 2009 zijn namens appellante onder meer nadere stukken in het geding gebracht.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hagemeijer, voornoemd. Tevens was de echtgenoot van appellante aanwezig. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.B. Snoek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in oktober 2005 wegens diverse lichamelijke klachten en klachten van depressieve aard uitgevallen voor haar werkzaamheden als inpakster.
1.2. Gegeven de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 1 oktober 2007 aan appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 22 oktober 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, daar zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.3. Bij besluit van 29 januari 2008, hierna: het bestreden besluit, is het tegen het besluit van 1 oktober 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Uit de rapportages van die artsen blijkt volgens de rechtbank dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde lichamelijke en psychische klachten. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij ten tijde hier van belang meer beperkingen had dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige, die van de oorspronkelijk in de arbeidsmogelijkhedenlijst opgenomen dertien functies, een drietal functies voor appellante passend heeft geacht. Gegeven de door de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige verstrekte toelichting op de op het resultaat functiebeoordeling van die functies opgenomen signaleringen, is de rechtbank voldoende overtuigd dat appellante voor die functies geschikt is.
3. Het hoger beroep van appellante richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat door de verzekeringsartsen van het Uwv niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. Zij houdt staande dat de voor haar op de datum in geding geldende beperkingen aanzienlijk ernstiger zijn dan waarvan die artsen zijn uitgegaan. Daarbij heeft appellante in het bijzonder het oog op de beperkingen die voortvloeien uit haar klachten van depressieve aard. Appellante doet hierbij een beroep op een haar bij beschikking van 24 maart 2009 per die datum verleende indicatie voor werk ingevolge de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en de daaraan ten grondslag liggende rapporten van de bedrijfsarts A.G.M. van Waterschoot van 22 december 2008 en van de psycholoog H. Prins van 23 januari 2009.
4.1. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De Raad overweegt daartoe in de eerste plaats dat ook naar zijn oordeel de verzekeringsgeneeskundige beoordeling voldoende uitgebreid en zorgvuldig is geweest. Door de verzekeringsarts en met name de bezwaarverzekeringsarts is kennis genomen van alle relevante medische gegevens, waaronder de visie van de huisarts van appellante G.J.G.J. Dermaux en haar behandelend psychiater P. Michielsen. De bezwaarverzekeringsarts heeft uiteengezet waarom in het bijzonder betekenis toekomt aan de bevindingen van psychiater Michielsen, die - anders dan de huisarts - bij appellante geen depressie met vitale kenmerken heeft geconstateerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de Raad overtuigend uiteengezet dat en waarom de bevindingen van Michielsen geen aanleiding geven om bij appellante meer beperkingen ten aanzien van arbeid aan te nemen.
4.2. Voorts wijst de Raad op de reactie van het Uwv, als opgenomen in het verweerschrift, op hetgeen namens appellante onder verwijzing naar de WSW-indicatie en de daaraan ten grondslag liggende rapporten naar voren is gebracht inzake de medische grondslag van het bestreden besluit. In die reactie heeft het Uwv aangegeven dat niet zonder betekenis is dat appellante zich per 15 september 2008 opnieuw arbeidsongeschikt heeft gemeld, welke melding heeft geleid tot toekenning van een uitkering ingevolge de Ziektewet per 13 oktober 2008. In elk geval tot aan 5 juni 2009, de dagtekening van het verweerschrift, heeft appellante deze uitkering behouden. Van de zijde van het Uwv is opgemerkt dat hieruit valt af te leiden dat appellante - de Raad begrijpt: in de optiek van het Uwv - eind 2008 meer arbeidsongeschikt was dan op de in geding zijnde datum 22 oktober 2007, hetgeen volgens het Uwv ook zou aansluiten bij de bevindingen van de bedrijfsarts Van Waterschoot en de psycholoog Prins.
4.3. Voor zover deze beschouwingen aldus dienen te worden begrepen dat de WSW-indicatie reeds geen doorslaggevende betekenis toekomt voor de onderhavige procedure, omdat deze niet ziet op de datum in geding, kan de Raad zich daarmee verenigen. De WSW-indicatie geldt immers eerst vanaf 24 maart 2009, welke datum zeer geruime tijd na de in het onderhavige geding ter beoordeling voorliggende datum 22 oktober 2007 is gelegen. Uit de aan die indicatie ten grondslag liggende rapportages van Van Waterschoot en Prins, kan voorts niet worden afgeleid dat de daarin opgenomen conclusies ook reeds gelding zouden hebben voor 22 oktober 2007.
4.4. Ook anderszins is appellante er niet in geslaagd aan de hand van objectief-medische gegevens voldoende twijfel te zaaien met betrekking tot het oordeel van de verzekeringsartsen. Dat geldt niet alleen voor haar psychische klachten, maar ook voor haar klachten van lichamelijke aard.
4.5. Ten slotte overweegt de Raad dat hij, aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat, geen aanleiding heeft om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet passend te achten.
4.6. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Mostert.
EK