ECLI:NL:CRVB:2010:BO0334

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5898 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • R. Kooper
  • H.C. Cusell
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van besluit Uwv inzake premiecorrecties na vaststellingsovereenkomst met Belastingdienst

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 30 september 2010 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellante tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Breda. Appellante had een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Belastingdienst, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had het overeengekomen bedrag onterecht behandeld als sv premieloon en een dubbele brutering toegepast. De Raad oordeelde dat het Uwv ten onrechte de grondslag van de primaire besluiten had verlaten en dat de premiecorrecties uitsluitend betrekking hadden op het niet-toepassen van het anoniementarief voor de loonbelasting en de heffing van premie volksverzekeringen. De Raad vernietigde het besluit van het Uwv en oordeelde dat het Uwv een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288, en moest het griffierecht van € 145,-- vergoeden. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor het Uwv om zich aan de afspraken in de vaststellingsovereenkomst te houden en de juiste berekeningen te maken met betrekking tot de premies werknemersverzekeringen.

Uitspraak

08/5898 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 augustus 2008, 07/668 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. Vermeirssen, advocaat te Goes, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Voor appellante is verschenen [naam directeur], directeur, met bijstand van mr. Vermeirssen. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Naar aanleiding van een melding van de Arbeidsinspectie over een controle bij een bedrijf te Ossendrecht, waarbij drie voor appellante werkzame personen zijn aangetroffen die gebruik maakten van valse of vervalste documenten, heeft de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) een onderzoek ingesteld naar de deugdelijkheid van de administratie van appellante en naar de juistheid van de door haar gedane opgaven voor de sociale werknemersverzekeringen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van de SIOD van 9 april 2004 en in een Rapport nadeelberekening van 9 november 2004.
1.2. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft het Uwv bij besluiten van 15 december 2004 aan appellante correctienota's over de premiejaren 2002 en 2003 opgelegd, ten bedrage van € 85.046,-- respectievelijk € 96.746,--.
1.3. Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Hangende dit bezwaar heeft zij op 23 augustus 2006 met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten over de naheffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen over de tijdvakken van 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2003 alsmede van 1 april 2003 tot en met
31 juli 2004. Ingevolge deze vaststellingsovereenkomst worden de naheffingsaanslagen voor elk van beide tijdvakken beperkt tot een bedrag van € 20.000, , waarvan telkens € 5.000, betrekking heeft op "toepassing van het anoniementarief" en € 15.000, op "overige tekortkomingen dan wel onvolledige verantwoording".
1.4. Bij brief van 4 september 2006 heeft appellante bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen de besluiten van 15 december 2004. Daarbij heeft zij onder meer aangevoerd dat het Uwv verplicht is de schikking met de Belastingdienst te volgen en derhalve voor een heel eenvoudige opgave staat, te weten het berekenen van de verschuldigde premies voor de sociale werknemersverzekeringen aan de hand van de vaststellingsovereenkomst.
1.5. Bij uitspraak van 16 november 2006 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het Uwv opgedragen alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
1.6. Bij besluit van 24 november 2006 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, in die zin dat wordt aangesloten bij het met de Belastingdienst gesloten compromis en dat het bedrag van de correcties om die reden wordt teruggebracht tot € 20.585,--.
2. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voor zover nog van belang het tegen dit besluit gerichte beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de namens appellante geformuleerde beroepsgronden over de bevoegdheid van het Uwv en de inhoud van het SIOD-rapport buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat appellante deze gronden reeds in de bezwaarfase, namelijk in haar beroepschrift van 4 september 2006 tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, uitdrukkelijk en welbewust heeft laten vallen. De door het Uwv op basis van de vaststellingsovereenkomst berekende bedragen moeten voor juist worden gehouden. Dat appellante een gunstiger resultaat had verwacht doet daaraan niet af, aldus de rechtbank.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1. Gelet op hetgeen is vermeld in het Rapport nadeelberekening, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat de in geding zijnde premiecorrecties uitsluitend betrekking hebben op het niet-toepassen van het anoniementarief voor de loonbelasting en de heffing van premie volksverzekeringen. In het bestreden besluit op bezwaar van 24 november 2006 is evenwel, gezien ook de daaraan ten grondslag gelegde berekening van 30 oktober 2006, de correctie nader berekend op basis van de totale naheffing ingevolge de door appellante met de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst, dus niet alleen voor zover deze ziet op het niet-toepassen van het anoniementarief, maar ook voor zover zij betrekking heeft op de "overige tekortkomingen dan wel onvolledige verantwoording". Daarmee heeft het Uwv, zonder enige motivering, de grondslag van de primaire besluiten verlaten.
3.2. Met betrekking tot het niet-toepassen van het anoniementarief voorziet de vaststellingsovereenkomst in een naheffing van in totaal € 10.000, . Nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, moet de Raad aannemen dat dit het ter zake daadwerkelijk door de Belastingdienst nageheven bedrag is. Daarvan uitgaande, heeft dit bedrag te gelden als het bedrag van de wettelijk verschuldigde loonheffing dat de werkgever voor zijn rekening heeft genomen. Het is dan ook dit bedrag dat voor de heffing van premies werknemersverzekeringen als uitgangspunt dient te worden genomen bij de vaststelling van het gebruteerde loon (HR 22 januari 2010, LJN BL0080).
3.3. Het vorenstaande brengt met zich dat in deze procedure geen betekenis meer toekomt aan het SIOD-rapport dat de aanleiding tot het opleggen van premiecorrecties heeft gevormd. Immers, los van dit rapport staat thans vast dat feitelijk een bedrag van € 10.000, voor rekening van appellante is gekomen en dat dit een wettelijk verschuldigde loonheffing betreft. Of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de rechtmatigheid van het rapport reeds wegens afstand van recht buiten beschouwing moet blijven, kan en zal de Raad dan ook in het midden laten.
3.4. Het meergenoemde bedrag van € 10.000, heeft betrekking op twee perioden van bij elkaar (15+16 =) 31 maanden. Dit bedrag dient tot twee volledige premiejaren (namelijk de jaren 2002 en 2003) van elk 12 maanden te worden herleid. Voor het premiejaar 2002 gaat het dan om 12/15 x € 5.000, = € 4.000, . Voor het premiejaar 2003 om (3/15 x € 5.000, ) + (9/16 x € 5.000, ) = € 3.312,50.
3.5. Deze in de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst afgesproken bedragen aan loonheffing zijn verschuldigd wegens het ten onrechte niet toepassen van het anoniementarief en wegens het extra voordeel dat de betrokken werknemers hebben genoten doordat appellante de (alsnog) op het anoniementarief gebaseerde naheffing niet meer op deze werknemers kan verhalen. Het gaat dan ook om gebruteerde bedragen, welke brutering geacht moet worden op de grondslag van het anoniementarief te hebben plaatsgevonden. Voor de berekening van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen dienen deze bedragen naar een premieloon te worden herleid. Bij een loonheffing ter grootte van h% is dit in aanmerking te nemen sv premieloon gelijk aan (100-h)% van het gebruteerde loon. Het Uwv heeft evenwel het met de Belastingdienst overeengekomen bedrag in zijn geheel behandeld alsof het sv premieloon betrof, en dit bedrag met het oog op de heffing van premie werknemersverzekeringen gebruteerd. Het Uwv heeft dan ook ten onrechte een dubbele brutering toegepast.
3.6. Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Het bestreden besluit op bezwaar van 24 november 2006 zal wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.
4. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288, wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 2006 gegrond en vernietigt dit besluit;
Draagt het Uwv op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288, ;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.
RB