ECLI:NL:CRVB:2010:BO1885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.Th. Wolleswinkel
- K.J. Kraan
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WW- en BW-uitkering na nieuw WW-recht en weigering BW-uitkering
Appellant, voormalig metro-bestuurder bij de gemeente Rotterdam, had aanvankelijk geen WW-uitkering ontvangen vanwege verwijtbare werkloosheid, waarna deze na vernietiging van eerdere besluiten alsnog met terugwerkende kracht werd toegekend. Hij ontving een loongerelateerde WW-uitkering en een aanvullende BW-uitkering, beide met verschillende looptijden.
Gedurende zijn uitkeringsperiode werkte appellant twee keer elders, waardoor nieuwe WW-rechten ontstonden. Het college weigerde vervolgens de BW-uitkering uit te betalen omdat het eerste WW-recht per 22 augustus 2006 was geëindigd door het ontstaan van een nieuw WW-recht, waarbij het aantal arbeidsuren een bepalende rol speelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, wat door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd. De Raad oordeelde dat de dwingendrechtelijke bepalingen van de WW en de gemeentelijke verordening geen ruimte laten voor herleving van het eerste WW-recht of de BW-uitkering na het ontstaan van een nieuw WW-recht.
Appellants stelling dat voor de aansluitende BW-uitkering geen WW-uitkering vereist zou zijn, werd verworpen. De Raad benadrukte dat het WW-recht geen absoluut karakter heeft en dat de verplichting tot het aanvaarden van passend werk kan leiden tot beëindiging van het recht op uitkering, ook als het eerste WW-recht eerder was toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het eerste WW-recht en de BW-uitkering per 22 augustus 2006 wordt bevestigd.