ECLI:NL:CRVB:2010:BO2070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-uitkering en toepassing buitenwettelijk begunstigend beleid
Appellant heeft zich meerdere malen bij de CWI gemeld om een WW-uitkering aan te vragen, maar kon dit niet indienen wegens het ontbreken van een geldig legitimatiebewijs. Uiteindelijk heeft hij op 4 december 2007 een geldig legitimatiebewijs getoond en een aanvraag ingediend. De WW-aanvraag werd afgewezen met terugwerkende kracht tot 1 september 2007. Vervolgens vroeg appellant bijstand aan, die het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam vanaf 4 december 2007 toekende.
Appellant stelde zich op het standpunt dat de bijstand met ingang van 18 juni 2007, de datum van zijn eerste melding bij de CWI, had moeten ingaan. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat dit niet terecht was, mede omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij eerder over een geldig legitimatiebewijs kon beschikken.
De Raad bevestigde dat het College een buitenwettelijk begunstigend beleid hanteert waarbij bijstand wordt verleend vanaf de eerste melding bij de CWI indien een WW-aanvraag is afgewezen, tenzij er een groot tijdsverloop is tussen de eerste melding en de WW-aanvraag. In deze zaak was dat tijdsverloop ruim vijf maanden, waardoor het beleid niet leidde tot een eerdere ingangsdatum.
Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van schade werd afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf 4 december 2007 en niet vanaf de eerste melding van 18 juni 2007 vanwege het grote tijdsverloop.