ECLI:NL:CRVB:2010:BO3662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Herziening premieberekening na vaststellingsovereenkomst loonheffing
Appellanten hadden over meerdere jaren een deel van de lonen niet in de loonadministratie verantwoord, waarop het UWV correctienota's oplegde op basis van schattingen en gegevens van de belastingdienst. In april 2007 sloten appellanten en de belastingdienst een vaststellingsovereenkomst waarbij de naheffingsaanslagen loonbelasting werden gematigd. Volgens de Hoge Raad geldt het gematigde bedrag uit zo’n overeenkomst als het wettelijk verschuldigde bedrag voor loonheffing, wat het uitgangspunt moet zijn voor de premieberekening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV rekening moet houden met deze vaststellingsovereenkomst bij het berekenen van de premies werknemersverzekeringen. Het voordeel dat werknemers genoten door niet ingehouden loonbelasting is lager geworden door de matiging, waardoor de premies opnieuw moeten worden vastgesteld. Het eerdere standpunt van het UWV dat alleen bij wijziging van de standpunten van de belastingdienst rekening gehouden hoeft te worden, wordt verworpen.
De Raad vernietigt het besluit van 28 oktober 2005 en bepaalt dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden proceskosten en griffierechten aan appellanten toegekend. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 oktober 2010.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met de vaststellingsovereenkomst.