ECLI:NL:CRVB:2010:BO3725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon bij Ziektewet ondanks afwisselend werken
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn dagloon door het UWV in het kader van een Ziektewetuitkering. Het UWV had het dagloon vastgesteld op basis van het loon genoten in de referteperiode, waaronder de weken 23 tot en met 25.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat het UWV de referteperiode correct had toegepast volgens de toen geldende Dagloonregelen en dat het loon dat was meegenomen overeenkwam met de loonopgave van de werkgever. Appellant kon dit niet met loonstrookjes weerleggen.
Verder overwoog de Raad dat appellant uit eigen keuze had afwisselend wel en niet gewerkt, wat rechtvaardigde dat het dagloon evenredig werd verlaagd. De stelling van appellant dat artikel 32 ZW Pro van toepassing zou zijn, werd verworpen omdat dit artikel niet ziet op de juistheid van de dagloonberekening in deze situatie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon terecht heeft vastgesteld op basis van het loon in de referteperiode, waarbij rekening is gehouden met de eigen keuze van appellant om afwisselend wel en niet te werken.