ECLI:NL:CRVB:2010:BO3725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4927 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 86 ZWArt. 15 ZWArt. 3 DagloonregelenArt. 8 DagloonregelenArt. 32 ZW
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling dagloon bij Ziektewet ondanks afwisselend werken

Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn dagloon door het UWV in het kader van een Ziektewetuitkering. Het UWV had het dagloon vastgesteld op basis van het loon genoten in de referteperiode, waaronder de weken 23 tot en met 25.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat het UWV de referteperiode correct had toegepast volgens de toen geldende Dagloonregelen en dat het loon dat was meegenomen overeenkwam met de loonopgave van de werkgever. Appellant kon dit niet met loonstrookjes weerleggen.

Verder overwoog de Raad dat appellant uit eigen keuze had afwisselend wel en niet gewerkt, wat rechtvaardigde dat het dagloon evenredig werd verlaagd. De stelling van appellant dat artikel 32 ZW Pro van toepassing zou zijn, werd verworpen omdat dit artikel niet ziet op de juistheid van de dagloonberekening in deze situatie.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon terecht heeft vastgesteld op basis van het loon in de referteperiode, waarbij rekening is gehouden met de eigen keuze van appellant om afwisselend wel en niet te werken.

Uitspraak

09/4927 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2009, 08/1004 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 11 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1 Bij besluit van 12 september 2007 heeft het Uwv met ingang van 6 juli 2001 aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend, berekend naar een dagloon van € 18,18 (bruto).
1.2. Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het Uwv het tegen het besluit van 12 september 2007 gemaakte bezwaar dat gericht was tegen de vaststelling van het dagloon ongegrond verklaard.
1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 februari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak gekeerd.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Op grond van artikel 86 van Pro de ZW dient in het onderhavige geval toepassing te worden gegeven aan artikel 15 van Pro de ZW en de daarop gebaseerde Algemene dagloonregelen ZW (hierna: Dagloonregelen), zoals die luidden vóór 1 januari 2006.
3.2. De Raad stelt vast dat het Uwv de referteperiode overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Dagloonregelen heeft vastgesteld. Het Uwv heeft derhalve terecht het loon dat appellant in de weken 23 tot en met 25 heeft genoten bij de vaststelling van het dagloon betrokken. De hoogte van het loon dat is meegenomen bij de berekening van het dagloon komt overeen met de loonopgave van de werkgever. Appellant heeft niet aan de hand van bijvoorbeeld loonstrookjes aannemelijk gemaakt dat deze opgave onjuist is.
3.3. De Raad is voorts van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de dagloonregelen, hetgeen betekent dat het Uwv gehouden was om het dagloon evenredig te verlagen. Daarbij overweegt de Raad dat uit het door appellant op 9 maart 2002 ingevulde formulier blijkt dat hij heeft gekozen om voor een uitzendbureau te werken met alle gevolgen van dien. Uit de in dit formulier door appellant gemaakte aanvullende opmerkingen blijkt voorts dat deze keuze verband hield met de zorg die hij had voor zijn kinderen. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de Raad voldaan aan het criterium dat appellant uit eigen verkiezing heeft geplacht afwisselend wel en niet werkzaam te zijn.
3.4. De stelling van appellant dat het Uwv bij de berekening van het dagloon ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 32 van Pro de ZW kan de Raad niet volgen, nu dit artikel in het onderhavige geval toepassing mist. Dit artikel regelt bij gevallen van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte de samenloop van het recht op ziekengeld op grond van de ZW met andere in dat artikel nader genoemde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en heeft geen betrekking op de thans aan de orde zijnde vraag of het dagloon juist is berekend.
4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
SB