ECLI:NL:CRVB:2010:BO4169

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2575 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 75k ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering ziektewetuitkering wegens termijnoverschrijding

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen ziekengeld meer toe te kennen vanaf 23 februari 2009. Dit bezwaar werd echter ingediend na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn van twee weken. Het UWV verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk.

De rechtbank had dit besluit bevestigd en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De bezwaarverzekeringsarts had vastgesteld dat appellant lichamelijk en psychisch in staat was het bezwaar tijdig in te dienen, en ook de medische stukken die appellant in hoger beroep overlegde, boden geen aanleiding tot een ander oordeel.

Verder overwoog de Raad dat, zelfs indien appellant niet in staat was geweest zelf bezwaar te maken, er geen reden was waarom een derde namens hem tijdig bezwaar had kunnen indienen. Afspraken met familie over postbehandeling waren onvoldoende nagekomen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot weigering van de ziektewetuitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

10/2575 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2010, 09/3225 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010.
Appellant is verschenen bij gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 19 februari 2009 heeft het Uwv appellant ingaande 23 februari 2009 geen ziekengeld meer toegekend, omdat hij geschikt geacht wordt tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 18 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Niet in geschil is dat appellant zijn bezwaar tegen het besluit van het Uwv van 19 februari 2009 na afloop van de in artikel 75k van de Ziektewet genoemde termijn van twee weken heeft ingediend. Ter beoordeling staat de vraag of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was.
3.3. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd evenals de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 18 augustus 2009, dat appellant lichamelijk en psychisch in staat was om zijn bezwaar op tijd in te dienen. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daartoe in rechtsoverweging 2.7 heeft overwogen en maakt deze tot de zijne. De Raad acht daarbij met name van belang dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft kunnen nemen van de informatie van I-Psy van 5 maart 2009 waardoor er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding bestond appellant op te roepen voor onderzoek. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie - waaronder een afschrift van het medisch journaal van de huisarts en de eindevaluatie van 6 mei 2009 van I-Psy - werpt in dit verband geen ander licht op de zaak. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 18 juni 2010.
3.4. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat ook al zou appellant gedurende de (gehele) bezwaartermijn buiten staat zijn geweest om een bezwaarschrift in te dienen, niet valt in te zien waarom niet tijdig door een derde namens hem bezwaar gemaakt kon worden; juist met het oog op dergelijke zaken was immers - volgens appellant - met familie geregeld dat zorg werd gedragen voor de post van appellant. Dat dit niet adequaat is gebeurd, dan wel eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn, is een omstandigheid die voor rekening van appellant moet blijven.
4. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
NK